Het tiende boek van de Willehalm

In het laatste hoofdstuk hebben we met een paar zinnen de richting aangeduid waarin een einde van Wolframs Willehalm zou kunnen worden gezocht om de historische situatie aan het hof van Lodewijk de Vrome in de herfst van het jaar 818 enigszins te verduidelijken. De literatuur van de chansons de geste, die in de eerste instantie wil vermaken, biedt geen aanleiding om een dergelijke tragische afloop te zoeken, zoals Wolfram ons doet vermoeden. Nu zijn er echter ook serieuze wetenschappers geweest die getracht hebben het ontbrekende einde van de Willehalm te reconstrueren, iets wat gerechtvaardigd is wanneer men Wolfram uitsluitend vanuit een dichterlijk standpunt beoordeelt. Elke dichter is vrij om zijn thema’s naar eigen goeddunken te bewerken en elke filoloog heeft het recht vanuit de aanduidingen die een dichter maakt de overeenkomstige conclusies te trekken.

Het is anders wanneer Wolframs Willehalm te beoordelen is als een historisch document. De Willehalm moet dan zo worden genomen zoals het zich voordoet. Elke vanuit willekeurige fantasie voorgenomen verandering zou Wolfram net zo boos op ons maken als Kyot vertoornd was jegens de niet-historicus onder zijn bewerkers die (P. 827:2):

disem maere hât unreht getân | dit verhaal onrecht heeft gedaan.

We staan op het punt de juistheid van het standpunt van de historicus, dat Wolfram zo hardnekkig verdedigt, op een bij zijn Willehalm passende manier te bewijzen. Wanneer wij Wolfram als historicus beschouwen, dan lossen zich alle tegenspraken op.

Het zou dus bevreemdend kunnen overkomen dat wij nu zelf het standpunt van de historicus – ook al zij het voorlopig – verlaten en datgene doen wat Wolfram als historicus ten aanzien van Chrétien terecht als niet juist beschouwd. Het is echter ook mogelijk om ons door Wolfram – als dichter – iets te laten zeggen dat eveneens leerrijk kan zijn.

Er zijn vanuit dit standpunt al veel vermoedens geuit. Vooral de makers van de Franse gestes Rennewart en Moniage hebben hun fantasie vrijuit laten gaan, maar daardoor het historische oordeel vertroebeld. Ook filologen hebben er moeite mee om deze fantasieproducten voldoende los te laten en Wolframs Willehalm – onbeïnvloed door de richting die de literatuur van de chansons de geste heeft genomen – geheel vanuit zichzelf te begrijpen.

We geloven dat het vanuit een filologisch standpunt ook juist en zelfs interessant kan zijn zich de vraag te stellen, hoe Wolfram zijn Willehalm beëindigd zou hebben. Aan zo’n oefening kan echter geen historische waarde worden gehecht, hetzij dan dat door een aan de chansons de geste tegenovergestelde richting van de vrij scheppende fantasie een tegengewicht wordt geschapen die ons van vooroordelen bevrijdt en de waagschaal weer in ’t spel brengt.

Wij verlaten nu – onder het gemaakte voorbehoud – de bodem van de geschiedenis en begeven ons op het niveau van een historische roman waarvan de details gefingeerd zijn, maar die door zinspelingen in Wolframs Willehalm en door de historische situatie toch op een of andere manier gesuggereerd worden.

Wij keren nu terug naar Rennewart op die plek waar de historische Rennewart uit Wolframs Willehalm verdwenen is. De Rennewart tot wie wij ons wenden is een zuiver fantasieproduct.

*

Toen de zon in de zee onderging, riep Rennewart de schildknaap van koning Poydwiz bij zich. Nog aan de overzijde van de Larkant had hij hem op straffe van de dood bevolen het buitgemaakte paard van zijn heer naar hem toe te brengen. De bedreiging was niet nodig geweest: de schildknaap was gehoorzaam. Al na de doortocht door de voorde had hij geen zin meer om te vluchten. Hij zag hoe een christenridder die de gouden ster op zijn schild voerde, aan zijn nieuwe heer voorbijrijdend, de grindhelling omhoog galoppeerde en zonder te aarzelen bij de boven wachtende admiraliteit binnendrong. De admiraal sloeg de gouden ster met het zwaard door de helm en ontving hierop een slag terug die door de halsberg heendrong, zodat de admiraal door het wapen van de griffioen heen verwond werd.

Terwijl de koning van Lanzesardin zijn vader niet graag zo in het nauw gedreven zag en op zijn beurt de Gouden Ster aanviel, was de nieuwe heer van de Poydwiz’ schildknaap – we bedoelen Rennewart – ook boven aanbeland en versloeg Kanliun, Terramers zoon. Met de drie volgende zwaardslagen spleet hij koning Gibue tot aan de zwaardgordel, sloeg door de maliënkolder van koning Malakin heen en pijnigde de jonge koning Tampaste ook met de dood. De schildknaap was door zulke slagen dodelijk verschrikt.

De Gouden Ster en de voetknecht waren als enigen door de verdedigingsstelling aan de Larkant heen gebroken, waar ze op haar sterkst was. Door deze bres stroomden de christenridders na en rolden de ontvangststelling achter de Larkant naar links en naar rechts op.

De schildknaap bleef met de paarden dicht achter de voetknecht die “Rennewart” schreeuwde. Wat hij daarna nog te zien kreeg van zijn vluchtende landgenoten tot aan zee deed zijn angst voor zijn nieuwe heer omslaan in bewondering. Hij was er nu zeker van de grootste aller helden gevonden te hebben. Hem wilde hij dienen. Omdat Rennewart ook nog Arabisch met hem sprak, wilde hij hem graag volgen.

Nu was de veldslag beëindigd. De schildknaap ging naast Rennewart op het strand zitten, de beide paarden aan de teugel houdend, en sloeg gade hoe de Arabische schepen hun zeilen hezen. De ondergaande zon kleurde ze bloedrood. De knaap kende alle schepen bij naam, en noemde hun commandanten. Rennewart wilde weten, waar het schip van Terramer te zien was. Hij vroeg ook naar de schepen van Fabors, Utreiz, Passigweiz, Malarz, Matreiz, Malatras, Carriax, Gloriax, Merabjax en Morgowanz (Wh. 288:10) en hij ontving precieze aanwijzingen. Rennewart keek met bewondering toe hoe de schepen in de verte verdwenen. Een meer verheven schouwspel dan deze machtige vloot kon de jonge vorstenzoon zich niet voorstellen. Als nu Alyze erbij was geweest, had hij haar zeggen kunnen, kijk daar zeilt mijn vader, de machtige voogd van Baldac, naar mijn geboorteland terug: Zou jij niet de vrouw van zijn zoon willen zijn?

Toen de zon onder was gegaan en in het oosten de diepviolette nacht opkwam, veranderden de zeilen hun kleur van rood via violet in asgrauwe kleurloosheid. Boven de schepen begon de mooie Magelone, de ster van de Provençaalse herders te stralen in de grootste oostelijke verlenging. Nu zag de aanblik van de vloot er zo spookachtig uit dat Rennewart zichzelf helemaal vergat, en van een verlangen gegrepen werd om gelijktijdig met Terramer naar huis te varen, en ook naar Munleun te rijden om bij Alyze te zijn.

De schildknaap onderbrak hem in zijn dromen: “Jij kent de zonen van Terramer en vraagt niet naar Kanliun, die jij verslagen hebt.”‘

“Kanliun, die ken ik niet,” antwoordde Rennewart, “maar de andere tien zijn allen mijn broeders.”

“Dan ben jij Rennewart, om wie onze admiraal zo bedroefd is, sinds jij door rovers van de borst van de baker[1] werd gekidnapt. Rennewart, de verloren zoon, van wie de admiraal zegt dat hij hem zijn leven lang zal blijven zoeken. Jouw vader stond tegenover jou, toen de ridder met de Zarathoestra-ster jou inhaalde en hem door de halsberg sloeg. De dappere ridder heeft jou ervoor behoed jouw eigen vader te verslaan – die broer echter heb jij dodelijk getroffen”.

Door deze woorden van de schildknaap voelde ook Rennewart zich verslagen. Hij verzonk in somber gepeins.

Onderwijl had Willehalm zich met zijn strijders over de Larkant teruggetrokken. Zijn bazuinen riepen op tot verzamelen op de heuvel achter het slagveld. Rennewart wilde te paard de oproep volgen.

De schildknaap gaf hem de teugels over, maar Lignmaredi liet zijn nieuwe berijder niet op zijn rug zitten. Het paard week uit. Rennewart sprong hem op de rechtervoet na, maar Lignmaredi draaide zich in de rondte. De schildknaap dacht dat zijn heer ongeschikt was, maar toen sprong deze vastbesloten in het zadel en galoppeerde weg. Hij leunde een weinig in het zadel terug, zijn dijen sloegen de flanken van het paard en dreven hem tot een galop aan die de schildknaap nauwelijks kon bijhouden. De schildknaap bewonderde Rennewarts moed, hoewel hij niet zag dat Rennewart de teugels en het bit verloren had en zich met beide handen aan de zadelboog vasthield om niet over de achterkant van het paard af te vallen. Langs de Larkant joegen beide ruiters door populierenbosjes over kiezelstranden en zandbanken voorbij verlaten tenten naar de bron.

Plotseling ging Rennewart’s paard stapvoets rijden en verdween het in een open paardentent. Toen de schildknaap hoestend aankwam, herkende hij het kamp van Poydwiz, zijn gevallen heer. Hij keek zijn ogen uit. Sinds de oversteek door de Larkant was hij op zoek naar deze plek geweest. Rennewart sprong uit het zadel. De schildknaap nam de paarden over, verzorgde ze en begeleidde zijn nieuwe heer in de koningstent. Terramers zoon zat in gedachten verzonken op het leger van koning Poydwiz en overlegde wat er te doen was. Hij was van plan geweest naar Willehalm terug te gaan en dan zo snel mogelijk naar Oransch en vandaar verder naar Orlens te rijden. Nu echter moest hij inzien dat hem dat niet zou lukken. Hij bekende zichzelf dat paardrijden een kunst was die hij niet verstond.

Nadat de schildknaap de paarden haver had gegeven en stro onder hen had gelegd, bracht hij kaarsen. In het licht daarvan kon Rennewart de rijkdom van de opgehoopte koningsschatten bewonderen. Zoiets had hij aan het hof van Loys niet gezien. Wat zou Alyze verbaasd hebben gestaan als hij haar hier had kunnen ontvangen!

Hoe meer Rennewart aan Alyze dacht, des te meer hij naar haar verlangde, en hoe langer hij door de schildknaap van Poydwiz als een koning bediend werd, te meer kwam hij zichzelf als een koning voor. Alyze zou nu hier moeten zijn, dan zou hij met haar naar huis kunnen reizen en voor zijn vader treden. Net als zijn broer wilde hij een Arabische koning zijn. Alyze echter moest zijn koningin worden.

De schildknaap bracht het avondeten. Pas nu bemerkte Rennewart hoe de honger hem plaagde. Hij at met grote happen. Geen sneeuwvlok kon er nog bij. De zoete rapenwijn liet hem de werkelijkheid vergeten. Met de gedachte als rijke en machtige vorst voor Alyze te kunnen treden, indien nodig ook naar Munleun te rijden en zijn prinses te ontvoeren – de laaghartige Loys wilde hij in het geheel niet eerst haar hand vragen – sliep de huurling van de kleine koningsdochter in.

’s Morgens werd hij door wild geschreeuw wakker. Roepend om hulp rende zijn schildknaap de tent binnen. Hij had onderaan de stroom, daar waar het water uit het ven opborrelde naar de Larkant, de paarden te drinken gegeven. Een troep uit Willehalms leger stak de Larkant over om hem gevangen te nemen. In één sprong stond Rennewart voor de tent. “Rennewart” en “Monjoie” roepend stormde hij naar voren en joeg de aanvallers op de vlucht.

Nu gold het niet langer te talmen.

Allereerst wilde hij naar Oransch, naar Giburc rijden. Toen de schildknaap Oransch hoorde noemen, dacht hij aan de belegering en aan Terramers dochter Arabel die zich tegen haar vader had verzet. Pas nu kwam het in hem op dat Arabel – de eigenlijke reden van de oorlog – de zuster van zijn nieuwe meester was.

“De meesteressse van Oransch is Terramers dochter, jouw zuster. Sta jij bij haar in dienst?”, vroeg hij aan zijn heer.

“Zij is mijn nieuwe meesteressse”, antwoordde Rennewart en overlegde bij zichzelf dat als ze de dochter van Terramer is, ze dan ook wel zijn zuster moest zijn. Hardop zei hij: “Ja, ze is mijn meesteressse en ze is mijn zuster”.

Deze nieuwe gedachte dreef hem tot spoed aan. Zijn zuster wilde hij als eerste de overwinning melden. Haar wilde hij zijn dank betuigen dat zij hem, na zijn bevrijding van het hof en het smadelijke verlies van de verachtelijke keukenjongen, als ridder toegerust had. De gedachte Giburc’s broeder te zijn, gaf hem nieuwe hoop ook de weg naar Alyze te vinden.

Toen Rennewart wilde opstijgen, bokte zijn paard. Zodra hij de linker voet in de beugel had, week Lignmaredi uit. De schildknaap dacht dat zijn heer zijn rechter beugel beter moest aanhalen en dichter bij het paard moest staan. Rennewart was echter, net zoals de vorige dag, snel opgesprongen. Met een geweldige sprong kwam hij boven, maar zijn snelheid was te groot. Hij verloor z’n grip en viel aan de andere kant van het paard er weer af. De schildknaap, die in de namiddag niet had bemerkt, dat Rennewart niet kon paardrijden – of dit uit hoffelijkheid niet had willen zien – zei tegen Rennewart dat hij een wel heel bijzonder paard had. Hij was door Poydwiz bij Agremontin buitgemaakt en was het beste aller Arabische paarden. Maar: de ruiter moest ook de bijzondere taal van dit paard begrijpen. Lignmaredi reageert op de geringste druk van de dijen en staat stil wanneer hij de teugels gelijkmatig aanhaalt.

Toen de schildknaap zag dat Rennewart opmerkzaam luisterde, vatte hij moed: “Ik zal je de taal van het paard leren”, zei hij en begon: “Opdat je bij het bestijgen de teugels niet verandert, moet je gelijktijdig met de teugels een bosje manen met de linkerhand grijpen. Dat geeft je teugels een houvast. Nu moet je zeer dicht bij het paard treden en de linker voet zo in de beugel zetten, dat de punt van je voet Lignmaredi niet beroert. Zojuist heb je de punt van je voet in zijn flank gestoten. Dat betekent in de taal van het paard: Die flank moet daar weg. Daar waar de voet drukt, moet hij weg. Daarom week hij uit.”

De schildknaap liet Rennewart zien hoe dit moest gebeuren. Deze begreep het snel en deed alles na. Toen hij bovenop zat trad zijn paard terug. De schildknaap liet hem zien hoe je moest zitten en hoe je het paard met teugels en dijen te verstaan geeft wat je van hem wil.

“Je dijen wordt het paard gewaar als twee palen die in de grond geramd zijn, en die hij uitwijkt als ze eenzijdig drukken. Deze illusie moet je het paard laten en meteen ophouden te drukken, als hij met de druk meegeeft. Bij de druk van de linkerdij treed je paard naar rechts. Als je echter in de rechterbeugel staat en met de rechterdij drukt, dan wijkt hij naar links uit. Je gewicht stoort Lignmaredi niet, vooropgesteld dat je precies rechtop zit. Wanneer je naar achteren leunt, dan wil hij naar voren onder je weg lopen. Leun je echter naar voren, dan treedt je paard terug. Gisteren leunde je zover naar achteren dat je paard voortdurend onder je vandaan weg wilde lopen, en met de slagen van je dijen heb je hem zo aangedreven dat je nauwelijks te volgen was. Daarnet leunde je naar voren en het paard ging naar achteren. Nu, omdat je rechtop zit en geen druk met je dijen uitoefent, staat je paard daar rustig en wacht tot je hem met de teugels, dijen en zit de hulpmiddelen geeft die hij nodig heeft om je te gehoorzamen.”

Rennewart was een goede leerling. Hij bedankte zijn Arabische vriend en Lignmaredi nam hem aan.

Toen ze Arles voorbijreden, zat Rennewart reeds stevig in het zadel. Naast de dichtgemetselde stadspoort waren Saracenen gelegerd. Die hoorden Arabisch spreken en stonden op. Rennewart beval hen hem te volgen. Ze haalden hun verborgen paarden te voorschijn en stegen in het zadel. De weg voerde door veen en de Larkant heen naar het gebergte. Toen het paard van de schildknaap hinnikte, de oren spitste en de neusgaten open sperde, gaf de schildknaap hem de vrije teugel. Het paard verkoos een rietveld in te gaan. Nu hinnikten ook de paarden van een groep afgedwaalde Saracenen die zich in het riet hadden verstopt. “Lafaards”, riep Rennewart, “klim op je paard en volg mij!” Toen geen van hen aanstalten maakte hem te gehoorzamen, voer hij met de strijdkreet “Rennewart” als de bliksem op hen in en sloeg een ieder neer die hij tegenkwam. Snel waren allen bereid hem te beschermen en ze volgden hem.

Na een korte rit werd een nieuwe groep van afgedwaalde Saracenen opgeschrikt. Opnieuw had Rennewart werk te doen voordat zijn troep zich met tien man vergroot had. Deze gang van zaken herhaalde zich langs de hele linkerkant van het slagveld. Toen Rennewart op de landtong tussen moeras en het meer langs het Romeinse aquaduct reed, was zijn troep tot honderd man aangezwollen.

Afb. 16. “Bij Pitit Punt stuitte Rennewart op een wegversperring.”

De gevangenen wisten niet, wie het was die ze moesten volgen. Hun heer gaf de bevelen in Arabisch. Hij droeg weliswaar de uitrusting van een Saraceense koning, maar hij was duidelijk geen Saraceen.

Ook Rennewart wist niet wat zijn positie eigenlijk was. Hij hield van Alyze en voelde zich aan zijn bevrijder Willehalm en zijn zuster verplicht, maar wist nu ook, dat hij Terramers geliefde zoon was. De tegenstelling tussen zijn vader en zijn zuster begreep hij niet. Aan het hoofd van zijn Saraceense honderdtal twijfelde hij er niet aan, op weg naar zijn vader te zijn: Giburc en Alyze wilde hij echter niet verliezen.

Toen Rennewart met zijn Sarazeense troep over de heuvel met de windmolen reed, herkende hij aan de overkant van het molendal in het gebergte de kloofvormige inkeping van Pitit Punt, waardoor zijn weg naar Oransch leidde (afb. 16). Daar stuitte hij met zijn honderdtal een half uur later op een wegversperring. De wachten riepen “Monjoie” en, omdat ze de aangekomen ruiters als Saracenen herkenden, versperden ze de weg.

“Monjoie-Saint-Denis” riep Rennewart. in perfect Frans. Hij vroeg naar de commandant. Toen deze kwam, herkende hij hem als de wachtcommandant van Munleun. Rennewart stond perplex hem hier aan te treffen, daar hij in de veronderstelling verkeerde, dat die kerel reeds ver weg bij Loys en Alyze in Orlens moest zijn.

Hij riep: ‘Hier eist Rennewart, vriend van Willehalm, doorgelaten te worden. Ik heb de opdracht, naar Oransch te rijden en Giburc de tijding van de overwinning te brengen”.

“Ei, zie eens, onze keukenjongen.” riep de wachtcommandant terug. “Hier kom je niet door. In opdracht van de koning moet ik hier de weg versperren. Het is alleen mijn zaak, hem in Oransch bericht te geven!”

Rennewart nam kloek een besluit: Hij spoorde zijn paard aan. Met de strijdkreet “Baldac” sprong hij over de versperring heen, en hieuw de commandant neer. De schildknaap schreeuwde “Baldac” en deed het hem na. De wachten stoven uiteen, Rennewarts troep riep “Baldac” en stortte zich als één man in het strijdgewoel.

Snel was alles achter de rug, en de Saracenen volgden hun nieuwe heer en meester met respect. Zonder rust noch duur ging de rit verder naar Oransch. De hoop dat Alyze in Oransch kon zijn, liet hem al het andere vergeten. Rennewart beschouwde zichzelf als de erkende zoon van de voogd van Baldac. Hij wilde als zoon van de hoogste Arabische vorst Alyze tegemoet treden.