Willehalm als de Middeleeuwse Willem van Oranje

Het controleren van Wolframs verwijzingen naar geografische verhoudingen blijkt een stuk moeilijker te zijn dan het verifiëren van het historische aspect van zijn werk. Het is bekend dat de hoofdfiguur van de Franse chanson de geste Guillaume, die identiek is met de personage van Wolframs Willehalm, zijn historische archetype heeft in Graaf Willem/Wilhelmus van Oranje en Toulouse, de gunsteling van Karel de Grote. In de Karolingische hofdocumenten werd Wilhelmus voor het eerst in een bericht over de Rijksdag van Aken genoemd: Karel de Grote benoemt hem in het jaar 790 tot raadgever van zijn zoon Lodewijk, de onderkoning van Aquitanië. In het jaar 793 onderscheidt Wilhelmus zich voor het eerst als een dappere held in de slag aan de Orbieu. Bij de belegering van Barcelona in het jaar 802 is Wilhelmus aanvoerder van het offensief opererende leger, dat een ontzettingsleger bovenaan de Ebro op de vlucht jaagt en tot ver binnen Asturië achtervolgt. Deze offensieve actie speelde een beslissende rol bij de val van Barcelona, maar na de val van die stad horen we niets meer van Willehalm. In zijn plaats wordt Lodewijk de Vrome, Wolframs Loys, als overwinnaar geëerd. Loys, die tot dan achter de Pyreneeën was gebleven binnen de veilige ruimte van Narbonne waar hij aan het hoofd van het reserveleger stond, is pas naar Barcelona opgerukt toen de Arabieren door Willehalm al waren verslagen. Dit is ongeveer alles wat we uit de geschiedenis over Willehalm te weten kunnen komen.

Dat is opvallend weinig, wanneer men bedenkt welk legendarische bekendheid Willehalm bij het volk moet hebben genoten om een hele reeks heldendichten te inspireren. In deze heroïsche epen van de bloeitijd der Middeleeuwen, de chansons de geste, worden de heldendaden van Willem of “Guillem”, zoals hij ook in deze liederen wordt genoemd, tot in de kleinste details geschilderd. In een deel van deze liederen, in de Bataille d’Aliscans, wordt ongeveer dezelfde fase uit het leven van Guillem bezongen, die ook door Wolfram von Eschenbach in zijn Willehalm is vormgegeven.

Beide werken komen in grote trekken met elkaar overeen. In bepaalde delen zijn ze echter principieel verschillend. Omdat aangenomen wordt dat de overeenstemmende delen als model voor zijn Willehalm hebben gediend, kan men zich afvragen of de niet-overeenstemmende delen door hem zijn bedacht, of dat ze teruggevoerd moeten worden op een nu niet meer bestaande nevenbron. Zoals bij Kyot, Wolframs zegsman voor zijn Parzival, zijn ook hier de meningen verdeeld.

Bij gebrek aan historische documenten over het leven van Wilhelmus, heeft men de Vita Sancti Willelmi erbij gehaald om zijn biografie op te smukken.

De persoon Wilhelmus bereikte reeds tijdens zijn leven een bekendheid die eeuwen lang zijn dood overleefde. Hij leefde twee honderd jaar voort in het geheugen van de Zuid-Fransen, alvorens hij in het jaar 1138 door Paus Innocentius II heilig verklaard werd. Dat Wolframs Willehalm en deze volksheilige één en dezelfde persoon zijn, zegt ons Wolfram zelf in de proloog tot zijn Willehalm. Hij beveelt de heilige Wilhelmus, die hij ook als heilige vereert, alle ridders als “helper” aan.

Namens de goddelijke Drie-eenheid aanbidt Wolfram zijn heilige Wilhelmus, die in Wolframs tijd al bevrijd was van alle hellebindingen. Pas na dit gebed begint hij met de beschrijving van de historische, in de 9de eeuw levende en strijdende Willehalm. Wolfram bezingt de levende Willehalm/Wilhelmus van de 9de eeuw, maar aanbidt vooraf de eeuwige individualiteit van zijn held, “Sint Wilhelmus”, door wie hij getroost wordt in alle levensgebieden, doordat hij – blijkbaar geheel vanzelfsprekend – met hem dagelijks op een geestelijke manier verkeert. Gezien deze diepreligieuze houding van Wolfram jegens zijn historische held en diens van alle hellebanden bevrijde eeuwige geest, is het uitgesloten dat zijn bezwering van het waarheidsgehalte van zijn wonderbaarlijk verhaal, een andere reden zou hebben dan de verering van een allang gestorven krijgsheld die hem bijzonder na aan het hart lag. Wolfram heeft de behoefte om over de hem alomtegenwoordige en persoonlijk aanspreekbare geestverwant en “helfaere” de waarheid te zeggen.

Met deze houding jegens zijn held verheft Wolfram zijn Willehalm tot het niveau van een geschiedkundig document.

Wij zouden dat ook graag van de Vita sancti Willelmi willen aannemen. Beide documenten wijken echter zo veel van elkaar af, dat ze elkaar wederzijds uitsluiten.

Wolfram von Eschenbach heeft zijn Willehalm aan het begin van de 13de eeuw gedicht. De Vita is ouder. Deze ontstond rondom het jaar 1125, kort voor de canonisatie van de heilige. Mogelijkerwijze is deze Vita zelfs de aanleiding voor de canonisatie geweest. Beide werken zijn derhalve zeer lang na de dood van Wilhelmus ontstaan en beide geschiedschrijvers waren op overeenkomstige, waarschijnlijk mondelinge overleveringen aangewezen.

Wolfram geeft in zijn Willehalm geen biografische gegevens uit het leven van zijn held. De hagiografie daarentegen stoelt zich met betrekking tot enkele levensdata op de zogenaamde stichtingsbrief van het klooster Gellone. Willehalm geldt als de stichter van dit klooster, heden Saint-Guilhelm-le-Désert genoemd. Daar zou Wilhelmus na zijn terugkeer uit het wereldse leven als monnik geleefd hebben. Daar zou hij op hoogbejaarde leeftijd gestorven zijn (afb. 15).

Afb. 15. Gellone met burchtruïne “Le Verdus” op de achtergrond

Toen de Vita van de heilige Wilhelmus ontstond, stond de echtheid van deze stichtingsbrief buiten twijfel. Vandaag de dag is dat niet meer het geval. Deze “stichtingsbrief”, die in feite een schenkingsoorkonde aan het reeds bestaande, onder gezag van Aniane staande klooster is, heeft nog een tegenhanger in Aniane. Deze andere schenkingsoorkonde lijkt erg op die van Gellone, doet echter Gellone als afhankelijk van Aniane voorkomen. Het is aan te nemen dat deze stichtingsoorkonde van Gellone een schrijfwerk is waarmee het klooster Gellone zijn zelfstandigheid wilde bereiken en ook bereikt heeft. Geschiedvorsers twijfelen tegenwoordig op formele gronden aan de echtheid van dit document.

Wie Wolfram von Eschenbachs Willehalm vertrouwt, weet ook nog op welke wijze de tekst moet zijn vervalst. Met dit document heeft men willen bewijzen dat het klooster Gellone door Wilhelmus is gesticht, zodat Gellones destijds bestaande afhankelijkheid van Aniane op een of andere rechtsmisvatting zou moeten berusten. Als Wilhelmus inderdaad de stichter en bewoner van dit klooster zou zijn geweest, dan zou het niet van Aniane afhankelijk geweest kunnen zijn. Wanneer en hoe Gellone van Aniane afhankelijk is geworden, heeft men niet onderzocht. De “stichtingsoorkonde” van Gellone was voldoende en beslissend. Het oprichtingsjaar luidde 804.

Wie meer vertrouwen in Wolframs waarheidsliefde heeft dan in deze oorkonde van Gellone, bedenke dat Wilhelmus in het vermeende stichtingsjaar zich in Arabische gevangenschap moet hebben bevonden of anders naar Oranje was teruggekeerd, waar hij als markgraaf de zuidgrens van het Rijk verdedigde, in zijn paleis Termis jonge vorstenzonen onderrichtte en tot ridders opleidde, en er zeker niet aan gedacht zou hebben een klooster te stichten en zich uit het wereldse leven terug te trekken. Zijn vrouw Giburc droeg destijds de kleine Alyze, het dochtertje van Lodewijk de Vrome en Koningin Ermengarde in haar armen, ze onderwees de kleine Vivianz en gaf les aan jonge schildknapen. Beiden maakten ze van Oranje een cultureel centrum door als leraren de jonge vorstenkinderen te onderwijzen en hen die kennis over te dragen die ze aan de hofscholen van Aken en Tours of in Saint-Denis en aan de Universiteit van Bagdad zich zelf eigen hadden gemaakt. De aanduidingen van de Vita dat Wilhelmus als een oude man in deze tijd in Gellone brood voor de monniken heeft gebakken, is niet in overeenstemming te brengen met Wolframs aanwijzingen. Maar de Vita baseert zich ten onrechte op de donatieoorkonde van Gellone, waarin Wilhelmus vanwege ondoorzichtige doeleinden een hele generatie ouder wordt gemaakt om de oprichting van het klooster eerder te kunnen dateren en versluieren. Deze correctie vergde verdere manipulaties in de familieverhoudingen van Wilhelmus en in zijn relaties tot zijn medemensen.

Willem van Oranje was een leeftijdsgenoot van Lodewijk. De “stichtingsoorkonde” maakt nu van hem, Lodewijks jeugdvriend, studiegenoot en raadgever, een vertrouwde kameraad van Lodewijks vader – Karel de Grote. In werkelijkheid – dwz. volgens Wolframs aanduidingen – is de verhouding van Karel tot Willem die van vader tot zoon.

Met deze machinaties heeft men met succes de periode van oprichting van het klooster Gellone vertroebeld en daarmee gedaan gekregen dat Gellone onafhankelijk van Aniane werd. De stichter van zijn eigen klooster heeft men echter in ondoordringbare nevelen gehuld, waardoor de identificatie van Willehalm in de “geschiedenis” enorm bemoeilijkt wordt.

Monnikenwerk van historici heeft onjuistheden in de oorkonden aan het licht gebracht die Wolfram gelijk geven. Wilhelm Pückert vestigt in zijn werk Aniane und Gellone [1] de aandacht op een reeks tegenstrijdigheden, waarvan de waarheid niet vast te stellen is, omdat de ene uitspraak pal tegenover de andere staat. Wolfram von Eschenbachs Willehalm zou goed te pas komen om deze nevel te doordringen en orde in de geschiedenis van Lodewijk de Vrome te scheppen. Een jonge historicus zou vele vruchtbare en leerrijke ontdekkingen kunnen maken door de geschiedenis van Lodewijk de Vrome aan het licht van Wolframs Willehalm te toetsen. Wilhelm Pückert heeft hier goed voorwerk gedaan.

Aan een voorbeeld kan gezien worden hoe trefzeker Pückerts historische kritiek is. Hij laat zich geen knollen voor citroenen verkopen en houdt een “zoon”, die in werkelijkheid alleen een broer van Wilhelmus kan zijn, niet voor diens zoon. Hij schrijft (p. 109, voetnoot 8b):

Zelfs de overdracht van de graafschappen door de heerser (Lodewijk de Vrome) aan Wilhelmus’ zoons direct bij diens toetreden tot het klooster lijkt zeer onwaarschijnlijk. Plaatst men algemeen (ook Waitz in zijn uitgave) volgens Chron. anian en Vita S. Guil. Wilhelmus’ toetreding in het jaar 806 en ziet men (ook Waitz) de met graafschappen toebedeelde zonen volgens de Vita S. Guil. in Bernhard en Gonzelin, in eerstgenoemde de oudere en in laatstgenoemde de jongere, dan heeft zelfs Bernhard in het jaar 806 nog niet de nodige leeftijd bereikt voor de rang van graaf.

De schenkingsoorkonde van Aniane noemt geen kinderen van Wilhelmus. Die van Gellone daarentegen noemt een groot aantal. Men neemt aan dat deze kinderen in de oorkonde van Aniane “uitgewist” zijn. Willems vele kinderen, die voor de historici “opvallenderwijs” (Pückert) pas laat na zijn aftreden naar voren komen, zijn historisch, dwz. volgens Wolframs ware aanduidingen en niet volgens de valse van de schenkingsoorkonde van Gellone, helemaal niet zijn zonen, maar in werkelijkheid zijn broers.

Onze Wilhelmus, die naar huidige opvattingen vóór Karel de Grote gestorven zou zijn, moet in werkelijkheid in het jaar 843 nog geleefd hebben. Dit blijkt uit een onvervalst overgeleverd geschrift van Dhuoda, de echtgenote van Wilhelmus’ zwager Bernhard van Barcelona, die heden nog als Wilhelmus’ stiefdochter geldt. Dhuoda – waarover nog gesproken zal worden – noemt ten behoeve van haar zonen – in het jaar 841/43 – alle gestorven familieleden. De beroemdste – Wilhelmus – wordt echter niet genoemd, waaruit geconcludeerd mag worden dat hij destijds nog leefde.[2]

De Karolingische analisten hebben met deze kloostergeschiedschrijving niets te maken. Einhard, Lodewijks geschiedschrijver, zou zich verheugd hebben als hij het nog meegemaakt had. Hij is de geschiedschrijver – of “verhalenschrijver” – die het klaargespeeld heeft om Wilhelmus met geen enkel woord te noemen.

Andere tijdgenoten waren minder consequent. Hoewel ze wisten dat het vanaf een zeker moment aan het hof van Lodewijk de Vrome niet opportuun was om de naam Wilhelmus ook maar te noemen, konden ze “de eerste man na de kroon” (Wh. 158:20), die als markgraaf aan het hele zuidelijke front – van de Ebro tot aan de Rhone – de hoofdverantwoordelijkheid droeg voor de strijd tegen de Arabieren, niet zomaar doodzwijgen.

Een door Lodewijk van Zuid-Frankrijk naar Straatsburg verplaatste geestelijke namens Ermoldus Nigellus, die graag weer naar het zuiden teruggekeerd zou zijn, wilde Lodewijks gunst terugwinnen door het schrijven van een loflied op de vrome keizer. Hij had zeer goed in de gaten wat Lodewijk graag hoorde en zo heeft hij vele van Willems daden als daden van Lodewijk verheerlijkt. Geheel buiten beschouwing laten kon hij echter Willem niet, anders zou de vleierij te openlijk zijn geworden. Hij heeft met zijn lofgedicht bij Lodewijk geen succes geboekt. Een moderne geschiedvorser, M. Wilmote spreekt in zijn werk L’épopée française het vermoeden uit dat hij Wilhelmus nog te veel naar voren heeft geschoven.

Waarom men voor Lodewijk na het jaar 818 niet meer over Wilhelmus mocht spreken is uit de Karolingische documenten niet te achterhalen.

Een reden voor het schrappen van deze Wilhelmus van Oranje uit de geschiedenis kan – wanneer we Wolframs bericht volgen –gevonden worden in de persoonlijke verhouding tussen Lodewijk en Wilhelmus. Lodewijk is jarenlang zijn plicht als koning en keizer jegens zijn markgraaf niet nagekomen. De wankelmoedige, gemakzuchtige en immer schoorvoetende keizer heeft hem – met overtreding van de wetten van het Rijk (Wh. 182:20) – aan de zuidgrens van het Rijk, aan de Ebro, in Catalonië, Septimanië en op het laatst in de Provence letterlijk laten doodbloeden. Wilhelmus was na de eerste slag bij Aliscans vastberaden om Lodewijk te vermoorden als deze ook dit keer niet te bewegen was zijn plicht te vervullen (Wh. 138:6). Deze uiterste spanning is niet tot een fatale ontknoping gekomen, alleen doordat de koningin, Wilhelmus’ zuster, de gedachte, die Lodewijk koesterde, luid uitsprak en daarmee Wilhelmus’ toorn van Lodewijk af en op zichzelf richtte. Lodewijk besloot echter dan pas om hulp te bieden, nadat hij door de algemene stemming aan het hof niet anders meer kon en moest toegeven.

Als Wolframs Willehalm geëindigd zou zijn met het verlaten van het Provençalenland door de verslagen Terramer, dan zou dit relatief gelukkige einde waarschijnlijk voldoende geweest zijn om de spanning tussen Wilhelmus en Lodewijk op te lossen. Datgene wat we door Wolfram weten, kan derhalve niet het einde betekenen. Er moet nog iets zijn dat de onenigheid laat voortduren.

Uit enkele vooruitblikkende toevoegingen van Wolfram moet geconcludeerd worden dat na Terramers vlucht, in samenhang met het verdwijnen van Rennewart eerst nog een tragische einde van de veldtocht moet hebben plaatsgevonden. Er moet op de dag na de veldslag iets verschrikkelijks gebeurd zijn dat de bevochten overwinning zinloos deed lijken. Niet alleen Lodewijk en Willehalm, maar ook Terramer moet door deze gebeurtenis zo hard zijn getroffen, dat hij zijn leven lang geen vreugde meer kende.

We kennen de door Wolfram geplande afronding van de Willehalm niet, en het is ontoelaatbaar om deze ontknoping uit eigen fantasie te reconstrueren. Jammer genoeg is dit desondanks meermaals geprobeerd. De chansons de geste dichters lieten hun fantasie willekeurig de loop en penden hele romans. Ook serieuze filologen hebben vermoedens over de afloop van de gebeurtenissen geuit. Vanuit een literair standpunt is dit gerechtvaardigd. Met Wolframs geschiedschrijving daarentegen laat zich een poging om meer te zeggen dan wat er werkelijk gebeurd is, of op betrouwbare wijze overgeleverd, niet rijmen.

Wolfram vertelt ons niet dat Rennewart een christen is geworden en Alyze heeft getrouwd. Hij zegt echter ook niet het tegendeel. Hij duidt evenwel aan dat Rennewart en Alyze tot aan hun dood naar elkaar verlangd hebben (Wh. 284:14ff.). Ze zijn naar Wolframs opvatting niet bij elkaar gekomen.

Vanuit de houding waartoe Wolfram zich als historicus jegens zijn onderwerp verplicht voelt, kan de gang van zaken alleen zo zijn als deze zich historisch daadwerkelijk heeft afgespeeld. Elke poging het ontbrekende aan te vullen moet ons tegenover hem in die situatie plaatsen waarin Chrétien zich ten opzichte van Kyot bevindt. Wolfram werpt hem tegen niet de waarheid gezegd te hebben. Kyot, de man die ons de ware verhalen heeft overgedragen, zou derhalve terecht boos op hem mogen zijn.

Nu kan vanuit een zuiver literair standpunt elk thema gevarieerd worden en omdat zulke variaties reeds gemaakt zijn en ons historisch besef meebepalen, kan het – teneinde ons van vooroordelen te bevrijden – goed zijn om ook eens het tegendeel van een gelukkige afloop van de Willehalm-handeling af te schilderen om daarna, los van veronderstellingen, verwijzingen naar de waarheid in historische documenten beter te onderkennen.

Dat zich na de veldslag van Alischanz nog onvoorstelbare en onuitspreekbare dingen moeten hebben voorgedaan, blijkt uit enkele toespelingen in de Willehalm. Wolfram duidt een thema, dat hij later uitvoerig behandelt, reeds lang van te voren aan. Het is derhalve aan te nemen dat hij ook die thema’s, die in de Willehalm als preludes aangegeven worden maar dan niet uitgevoerd zijn, toch nog wilde behandelen. Vooral stelt hij de figuur van Rennewart tegen het einde zo zeer op de voorgrond, dat vermoed moet worden dat deze Rennewart de sleutelfiguur tot het ontbrekende einde is. In hoeverre Wolfram nog van plan was dit einde uit te werken weten we niet. Hij heeft het echter zo geconcentreerd voorbereid dat waarschijnlijk enkele dertigtal strofen[3] voldoende voor hem zouden zijn geweest om het hele lotgeval slag voor slag op te tekenen. De dichter van de Rennewart-geste deed het tegendeel; deze schreef een hele roman over het ontbrekende einde.

Dat het einde ook inhoudelijk niet met de Rennewart-geste overeenstemmen kan, blijkt uit het gedrag van Wilhelmus na de veldslag. Een veldheer die eerst een heel leger heeft verloren en dan met een tweede leger toch nog een overwinning boekt, is met zijn weemoedig geklaag over het verdwijnen van Rennewart ongeloofwaardig. Wilhelmus’ klacht is psychologisch alleen te verklaren door aan te nemen dat hij iets slechts voelde aankomen. Wilhelmus stond zelf middenin de situatie. Hij wist dat Rennewarts inzet voor hem niet vanuit een genegenheid tot het christendom voortkwam. Rennewart had steeds geweigerd om gedoopt te worden; hij voelde zich door en door Arabier en vooral als Terramers zoon, die eigenlijk onder normale omstandigheden als Arabische prins, gelijkwaardig aan Loys, in staat zou zijn geweest om, overeenkomstig zijn stand en rang, naar de hand van Alyze te dingen. Slechts zijn scheiding van zijn vader heeft dit verhinderd.

Rennewart heeft abusievelijk zijn familieleden de schuld aan zijn noodlot in de schoenen geschoven. Hij geloofde dat ze hem verkocht hadden. Als hij nu achteraf vernemen zou dat zijn vader hem niet in de steek had gelaten, dat deze net zo veel naar hem verlangde en hem zocht, viel zijn motief om tegen zijn familie te strijden weg. Zijn rol in de strijd moest hem onder deze omstandigheden zeer zwaar vallen. De tragische situatie zou hem echter eerder verlamd dan ontvlamd hebben. In elk geval zou hij geen reden hebben gehad om naar buiten toe actief te worden.

Als hij echter zou moeten vaststellen dat Giburc zijn situatie kende, hem deze echter niet onthuld had, dan had hij in zijn onberekenbaarheid tot een kortsluiting in zijn handelingen gedreven kunnen worden.

Wij duiden deze mogelijkheid slechts aan, omdat Lodewijk de Vrome, zonder een tragisch einde aan te nemen dat hem alle vreugde over de zege wegnam, na Willehalms overwinning eigenlijk een zucht van verlichting had moeten slaken.

Op het tijdstip waarop we de veldslag van Alischanz dateren, heeft Lodewijk de Vrome zijn vrouw verloren en was hij in een diepe crisis beland die in hem het besluit deed rijpen om het klooster in te gaan. We vernemen de dood van de koningin uit de geschiedenis. De analisten melden het echter in verband met een expeditie die Lodewijk ondernam tegen de Bretons. Wanneer we Wolfram von Eschenbach als onze gids kiezen, moeten we zulke aanduidingen kritisch nemen. Deze melding in de analen zou tot doel kunnen hebben om de aandacht van Alischanz af te leiden. Het enige wat zeker is, is het overlijden van de koningin. Zelfs de precieze dag van haar dood wordt aangegeven. Het bericht luidt dat Lodewijk zijn vrouw in Angers ziek heeft achtergelaten, waar ze op 3 oktober 818 is gestorven.

Einhards campagne tegen de Bretons voert naar Vannes (Rijksdag). De veldtocht schijnt kinderspel te zijn. De Bretonse koning Mormann wordt gedood en er is niemand die nog verzet pleegt. Lodewijk laat het leger uit elkaar gaan en keert naar Angers terug waar hij zijn zieke vrouw Irmingard achtergelaten heeft. Deze sterft drie dagen na zijn aankomst op 3 oktober 818.

“Of Lodewijk westwaarts in de Provence is getrokken, valt niet te achterhalen.”

Thegan zegt alleen dat Lodewijk Bretagne is binnengevallen. Hertog Murcoman zou gedood zijn en het land onderworpen. Dan zegt hij:

Toen hij vandaar terugkeerde, vond hij koningin Irmingard ziek met koorts en enkele dagen later nam ze afscheid in vrede.

Astronomus spreekt over het verzamelen van een krijgsmacht “van overal vandaan”. Na een verzameling in Vannes trok Lodewijk de provincie in en verwoeste alles in korte tijd met geringe moeite. De oppasser van de koninklijke paarden doodt Marmanus, toen deze zich midden in het legerkamp stortte. Daarmee had de campagne haar doel bereikt: de Bretons hadden zich onderworpen – Lodewijk keerde naar Angers terug. Hier had de koningin lange tijd op het ziekbed gelegen totdat ze op de derde dag van de terugkeer van de keizer op 3 oktober stierf.

Ermoldus Nigellus komt met een bericht dat niet synchroon lijkt te lopen met Einhard, Thegan en Astronomus. Deze laat Lodewijk via Orléans naar Bretagne trekken. Ook Nigellus bericht over de opstandige Murmann en beschrijft hem als een man die bang is voor Lodewijks boodschapper, Witschard, dan bijdraait, en bij het verschijnen van zijn vrouw één nacht bedenktijd vraagt, maar op de volgende ochtend dronken een afwijzing lalt. Wanneer Lodewijk vervolgens een grote troepenmacht helemaal vanuit Thuringia en Saksen oproept, krijgt men de indruk dat hij zich voorbereidt om met een kanon op een mug te schieten:

Over de glanzende golven van de Rijn kwamen de Zwaben, verdeeld in divisies van duizend, waarvan een enkeling wel honderd man waard is. Daarna volgden de Saksen bewapend met meer pijlkokers, vergezeld door de scharen uit Thuringia. Bourgogne stuurde ook een grote menigte jongeren en door vele mannen werd het Frankische leger rijkelijk versterkt. Alle volkeren van Europa, talloze stammen, opsommen doe ik niet, daar het getal ze toch nooit helemaal bevat.

Over zo’n heerban spreekt ook Wolfram, maar zijn leger trekt vanuit het verzamelpunt Orléans niet westwaarts voor een strafexpeditie, maar zuidwaarts in een volkerenslag die in historisch belang niet onderdoet voor die van Karel Martel bij Tours.

Ermoldus Nigellus geeft dan een uitgebreid, maar nietszeggend verslag van de Bretonse campagne. Hij hemelt de vrome Lodewijk erg op, maar: hij verzwijgt de dood van de koningin in Angers. Blijkbaar had hij er moeite mee om de voorschriften van het hof zo ver te volgen en Irmingard in Angers te laten sterven. Hij laat Lodewijks langgeleden verloren territorium opnieuw aansluiten bij het Rijk en de keizer vrolijk naar huis gaan, zonder de dood van Ermengarde te noemen. Wanneer men bedenkt dat dit gedicht bestemd was voor Lodewijk, dan mag men zich afvragen waarom Nigellus het aandurfde om Lodewijk op een vrolijke manier van Bretagne huiswaarts te laten trekken, als deze daadwerkelijk in Angers zijn vrouw verloren had. Dat had hij alleen kunnen doen wanneer Lodewijk deze makkelijke Bretonse campagne bij voorbeeld in de zomer van het jaar 818 – ten tijde van de zonsverduistering – had ondernomen en vandaar inderdaad vrolijk naar huis was gegaan. Na de herfstveldtocht naar Alischanz was Lodewijk in ieder geval niet langer vrolijk. Maar over deze veldtocht wordt in de omgeving van Lodewijk helemaal niets bericht.

Of Lodewijk vanuit Orléans westwaarts in de Bretagne dan wel zuidwaarts in de Provence is binnengetrokken, valt aan de hand van de tot dusver geëvalueerde documenten niet te achterhalen. Volgens Wolframs verslag begeleidt Loys het leger slechts tot Orléans. Tot zover stemt de melding in het lofgedicht van Nigellus overeen met Wolframs aanduidingen. Het verschil ontstaat pas in Orléans. Daar geeft Loys het opperbevel over aan Willem en blijft zelf achter. Het leger trekt verder naar het zuiden, terwijl het volgens Nigellus met Lodewijk naar het westen trekt (zie kaart).

Afgaand op de manier waarop Wolfram Lodewijk de Vrome en diens gedrag bij het beleg van Barcelona afschildert, dat we uit de geschiedenis kennen, is hij niet in Orléans gebleven, maar ook niet zelf ten strijde getrokken. Vermoedelijk is Lodewijk het Rijksleger vanaf een veilige afstand nagereisd. De veldtocht kon voor hem ook bepaalde gevolgen hebben en daarom wilde hij in beeld blijven. Als Oranje niet zou vallen, kon hij de afloop van de veldslag van Alischanz daar rustig afwachten.

Rennewart zou, in het geval dat hij na de veldslag met zijn buitgemaakt paard Lignmaredi naar Oranje teruggereden is, daar Loys en de koningin en ook Alyze moeten aangetroffen hebben. Wanneer Rennewart – bewust van zijn aandeel in de overwinning – geprobeerd zou hebben om de koning de hand van zijn dochter te vragen en de koning van angst ineengekrompen zou zijn, zo dat de koningin gedwongen zou zijn om dit verzoek in Lodewijks zin af te wijzen, dan zou een soortgelijke scène, zoals die tussen de koningin en Willehalm, wel degelijk tussen de koningin en Rennewart hebben kunnen ontstaan. Dit keer zou deze inzet voor Loys – indien ze Lodewijks gedachte zou uitspreken om hem het antwoord te besparen – de koningin het leven gekost hebben.

Waarschijnlijk was de werkelijkheid nog veel erger. Er was immers behalve Willehalm niemand daar die de strijd had kunnen opnemen tegen een razend te keer gaande Rennewart. Loys zou in geen geval tegen hem zijn opgewassen. Uit de geschiedenis weten we echter dat Loys het overleefde. Daaruit kan geconcludeerd worden dat Willehalm het drama meegemaakt heeft en Rennewart een halt heeft toegeroepen.

Zeker is dat Lodewijk na de dood van zijn vrouw in het jaar 818 een dieptepunt van zijn leven bereikte, iets dat na de zege van Alischanz niet voor de hand lag. Dit zou na de dood van zijn vrouw denkbaar zijn, maar alleen verklaarbaar door aan te nemen dat Loys, de egoïstische zwakkeling, persoonlijk ook in hoogste doodsangst moet hebben verkeerd. Lodewijk wilde het klooster in gaan. Hij kon pas van de schrik genezen toen men Judith naar hem stuurde, die een jaar na de veldslag zijn tweede vrouw is geworden.

Ook Willehalm was danig van stuur. Wellicht heeft hij destijds het klooster Gellone gesticht, maar in dit klooster toegetreden als monnik is hij niet echt. In elk geval is een leven van Willem van Oranje in de zin van de chanson de geste Moniage, als naïeve krachtpatser en slimmerik, ongeloofwaardig. Doch ook een leven in de zin van de hagiografie is niet denkbaar. Het kloosterleven van Wilhelmus in de zin van de Vita mag voor monniken destijds voorbeeldig zijn geweest. Een man die spiritueel gezien niet alleen torenhoog boven zijn abt, maar ook boven de bisschop en de paus – die hij persoonlijk kende – uitstak, had andere mogelijkheden, mits hij destijds reeds zijn zwaard had neergelegd. Zonder een stijlbreuk in Wolframs Willehalm is zijn bestaan na zijn terugtreden uit het wereldse leven hoogstens denkbaar in dat soort kluizenaarschap dat ons door Wolfram in zijn Parzival als van Trevrizent wordt afgeschilderd.[4]