Wolframs astronomie
In het eerste deel Kyot-Willehalm van ons onderzoeksverslag hebben we de aandacht gevestigd op een brug die van Wolframs Willehalm naar diens Parzival leidt. Deze overgang bevindt zich – geografisch gezien – op de plek waar Willehalm, na het neerleggen van zijn zwaard, heeft geleefd: in Saint-Guilhelm-le-Désert, boven de bergkloof de Herault in Zuid-Frankrijk.
Het slot Le Verdus, hoog boven het naar de heilige Willehalm genoemde oord, komt precies overeen met Wolfram von Eschenbachs topografische beschrijving van Kyots Weidehus (jachtslot).
Als deze identificatie juist is, dan moeten de gebeurtenissen die Wolfram in zijn Parzival schildert historisch in de periode direct na de slag van Alischanz gezocht worden. Daardoor komt de vraag op of Wolfram in zijn Parzival – evenals in de Willehalm – chronologische aanwijzingen geeft die ons in staat stellen om de historische tijd van de Parzival-handeling ondubbelzinnig te bepalen.
Teneinde de gebeurtenissen die tot nu toe hebben plaatsgevonden te verifiëren en een Parzival-chronologie op te stellen, willen we een referentiekader erbij betrekken dat mathematisch exact, dus nog betrouwbaarder is dan de geografie: de astronomie, met name de omloopbanen van de planeten.
Wolfram geeft in zijn Parzival astronomische aanwijzingen. Hij duidt planetenconstellaties aan. Planetenconstellaties kunnen voor elk willekeurig tijdstip ondubbelzinnig uitgerekend worden. De banen van de planeten zijn in de hemel geschreven en bij astronomen precies bekend. De objectiviteit van dit referentiekader is evident. Planetenbanen zijn aan menselijke willekeur onttrokken; men kan ze ook niet danne schaben (zomaar wijzigen).
Wanneer we Wolframs aanwijzingen voor de posities van planeten chronologisch in de historische werkelijkheid opzoeken, dan zal blijken of daar iets uitkomt wat van belang is. Voor het geval dat Wolframs astronomische aanwijzingen – zoals tegenwoordig nog vaak wordt aangenomen – verzonnen zijn (men weet met deze aanwijzingen niets te beginnen), of als ze aan een dichterlijke fantasie ontsproten zijn – vanuit een literair standpunt geheel gerechtvaardigd – dan zal Wolfram snel in aantoonbare tegenstrijdigheden verstrikt raken. Beschrijft hij echter feiten, dan moet dit door het controleren van zijn gegevens over planetenposities ondubbelzinnig naar voren komen.
Wij moeten hier vooropstellen dat de behandeling van Wolframs astronomie tot nu toe van de foutieve opvatting is uitgegaan dat hij zijn astronomie uit de astronomieboeken van Arabische tijdgenoten heeft geput en in zijn werken heeft ingebouwd. In werkelijkheid schildert Wolfram echter niet de astronomie van de 12de eeuw, maar een astronomie zoals die aan het einde van de 8ste eeuw in de tijd van Haroen al-Rasjid in Bagdad werd onderwezen.
De astronomische opvattingen van de Arabieren van de 12de/13de eeuw, die er hier ten onrechte ter vergelijking bijgehaald worden, zijn vooral het resultaat van het nauwgezet observeren van het firmament. De astronomische observatoria van de Arabieren, die de basis legden voor de op fysisch-astronomische observatie rustende – in onze huidige zin “hogere” – astronomie van de moslims, ontstonden pas na Haroen al-Rasjid. Ze dienden voor de verificatie van de observaties van schrijvers uit de oudheid en voor de verificatie van eigen ontdekkingen. Het observatorium Shanmassa in Bagdad werd gebouwd in opdracht van Al Mamoen en door Jahja ibn Aboel Mansoer geleid, die ook de verificatietabellen (efemeriden) opstelde. In Damascus ontstond een observatorium van dezelfde astronoom op de Kassiunberg. De daar verrichte observaties werden vooral gebruikt om de resultaten van het planetarium van Shammassia te controleren op afwijkingen, die voortkwamen uit het verschil in locatie tussen beide steden.
De observatoria van Edessa in Mesopotamië en op de berg Mukatan in Caïro werden tegen het einde van de 10de eeuw gebouwd. Later, in de Mongolentijd, ontstonden de observatoria van Marasha, Samarkant, Fez, Marakesh, Tanger, Cordoba en Toledo. In het observatorium van Toledo heeft Arzachel zijn Toledaanse planetentabellen geschreven, die in het jaar 1252 gebruikt werden bij het opstellen van de grote Alfonsinische tabellen. Deze tabellen zijn vandaag de dag niet meer actueel. Tycho Brahe heeft in zijn jeugd – op 16½ jarige leeftijd – ontdekt dat de conjunctie van Jupiter met Saturnus in het jaar 1563 meer dan vier weken afweek van de in deze tabellen aangegeven tijd.
In Haran, de stad van Tebit, ontstond in de 13de eeuw een centrum voor het vervaardigen van astronomische apparaten. Ten tijde van Tebit, de periode die doorslaggevend is voor de beoordeling van de Parzival-astronomie, was er in Haran echter geen enkel astrolabium, waren er geen kwadranten, geen parallactische liniaal noch sextanten.
Wat de Arabieren destijds aan astronomische kennis bezaten, hadden ze uitsluitend aan de schrijvers uit de oudheid te danken. De eerste Arabische astronoom van de nieuwe lichting, ben Saber al-Battani, die de “Arabische Ptolaemeus” wordt genoemd, deed zijn observaties in Raqqah aan de Eufraat en in Antiochië in de jaren 877 tot 918, dus ongeveer honderd jaar na de Tebit die we in Wolframs Tebit menen te herkennen.
De scherpzinnigheid van deze latere Moorse astronomen was gericht op de constructie en het onderhoud van observatieapparatuur. Wat daarentegen het met elkaar in verband brengen van de verkregen data betreft, dus de theoretische gevolgtrekkingen, dienden deze in de regel alleen voor de verificatie van de oude Ptolemaeïsche doctrines. Het aan de kosmologie en astrologie schatplichtige denken was door de Chaldeeuwse astronomen overgenomen en niet verder ontwikkeld. Na Flegetanis-Tebit verbleekte deze overgeleverde sterrenkunde. De Arabische onderzoekers sloegen een heel andere, aan onze wetenschap verwante richting in. De vooruitgang was gebaseerd op directe observatie en betekende inderdaad het begin van onze moderne wetenschappelijkheid.
Ten tijde van Wolfram was deze “fysische astronomie” van de Arabieren reeds zeer ver ontwikkeld. Ze bereikten het maximale aan precieze observatie die zonder telescoop mogelijk was. De antieke kosmologie, die ten tijde van Tebit nog volop aanwezig was, is daarbij geleidelijk verloren gegaan. Restanten daarvan werden in de astrologie overgenomen.
Wij begaan een fout als we Wolframs astronomie, die vooral een antieke kosmologie in de vorm van de 8ste and 9de eeuw is, vergelijken met de bevindingen van de Arabische experimenten uit de 12de eeuw. Zo’n vergelijking is anachronistisch en bij voorbaat gedoemd te mislukken. Men komt daarbij onvermijdelijk tot de conclusie dat Wolframs astronomie slechts een warrige, dilettantistische aangelegenheid is. Deze beoordeling is echter niet zakelijk, maar ongetwijfeld wel in lijn met ons huidige denken, een denken waarmee we niet meer in staat zijn de essentie van de Parzival-astronomie van de 9de eeuw te herkennen. Het controleren en experimenteren in de zin van de Arabische astronomie ligt ons beter. Desondanks mogen we de antieke kosmologie niet aan de Moorse astronomie van de 13de eeuw afmeten, omdat deze op een heel ander niveau ligt.
We houden ons bezig met de astronomie van de Flegetanis-tijd die we omtrent de wisseling van de 8ste naar de 9de eeuw moeten zoeken. Omloopbanen waren destijds reeds berekenbaar. Het controleren van Wolframs aanwijzingen omtrent planetenconstellaties kan als criterium worden gezien voor de vraag of Wolfram slechts gedichten schrijft of tegelijk een mathematisch-fysische werkelijkheid beschrijft. Dat Wolfram de door hem aangegeven planetenconstellaties slechts berekend zou hebben om zijn dichtwerk de schijn van waarheid te geven is zeer onwaarschijnlijk. Wolfram zou weliswaar – zoals hij ook de geografie van Zuid-Frankrijk slechts als decor voor een gefabriceerde Willehalm-handeling gebruikt zou kunnen hebben – ook de door de planetenconstellaties bepaalde chronologische indicaties slechts als achtergrond voor de Parzival-handeling gebruikt kunnen hebben om de illusie te wekken dat hij historische realiteiten beschrijft. Maar in dit geval zou Wolfram ook nog een perfecte astronoom, astroloog en magiër geweest moeten zijn. Tycho Brahe, de leraar van Kepler, is immers die astronoom die in de 16de eeuw de Parzival-astronomie van de 9de eeuw tot een wetenschappelijk onderbouwde theorie van ons planetensysteem ontwikkeld heeft.
Wolfram, die in de 12de/13de eeuw geen planetarium en computers tot zijn beschikking had, zou waarschijnlijk veel rekentijd gebruikt moeten hebben, als hij inderdaad van plan zou zijn geweest om de stand van de planeten die bij de corresponderende gebeurtenissen passen, zo exact te berekenen als hij die aangeeft. Als dichter zou hij zich deze moeite niet getroost hoeven te hebben; dit zou bovendien te veel voor hem zijn geweest. Veeleer denkbaar is dat hem de stand van de planeten door een ooggetuige is aangegeven, die ze zelf ook niet berekenen hoefde, omdat deze ze – op het moment dat de gebeurtenissen plaatsvonden – aan de hemel observeren kon. Dat dit ook aangenomen moet worden, zegt Wolfram niet. Hij noemt wel zijn zegsman. Deze Kyot de Provençal, die een en dezelfde persoon is als de Kyot die met een Graalsdochter in het huwelijk trad, draagt dus standen van planeten aan hem over, die hij direct aan de hemel kon observeren, omdat hij ooggetuige van het Graalgebeuren was.
Het is makkelijker om astronomische observaties te doen dan constellaties of andere astronomische gebeurtenissen te berekenen. Er zijn maar weinig mensen die alleen al de volgende zonsverduistering vooruit zouden kunnen berekenen. Een ieder kan echter zelf observeren en vast stellen of op een bepaald moment een zonsverduistering plaatsvindt en – indien dit zo is – de tijd te bepalen wanneer bijvoorbeeld de totaliteit daarvan begint.
Om de observaties te doen die Wolfram in zijn Parzival over de stand van de planeten meedeelt, behoort uiteraard een wat verder ontwikkelde astronomische kennis dan zoiets als de vaststelling dat een zonsverduistering momenteel plaatsvindt. Maar ook op dit hoger niveau is observeren makkelijker dan berekenen.
Kyot, de directe observator en chroniqueur van de gebeurtenissen, moet een uitstekende astronomische opleiding genoten hebben. Hij heeft in deze materie echter niet het niveau van de acht eeuwen later levende astronoom Tycho Brahe hoeven te bereiken. Pas Tycho heeft Kyots astronomie met mathematiek doordrongen en een wereldbeeld ontwikkeld dat, gelijk aan Kyots wereldbeeld, tussen het oude Ptolemaeïsche en het nieuwe copernicaanse wereldbeeld in staat. Tycho Brahes exacte observaties en berekeningen stelden zijn leerling Kepler in staat om de fundamentele wetten van de planeten te ontdekken, wetten waarmee vandaag de dag nog de omloopbanen berekend worden die het mogelijk maken dat de Mars- en Venussondes alsmede de reizen naar de Maan hun doel bereiken. Tycho Brahe beschreef de beweging van de planeten met de volgende inspirerende woorden:
Bestaat er iets, vraag ik u, dat mooier en menswaardiger is dan zijn geest over te geven aan die ongelooflijke hemelwereld, die fijne en bewonderenswaardige wisselwerkingen tussen alle hemellichten en sterren en de weldadige harmonie van hun bewegingen? Ook de leken zien weliswaar de zon op- en ondergaan, de maan wassen en afnemen, de sterren aan de hemel blinken, doch zij nemen daarbij niets waar wat niet ook door onredelijke wezens gezien zou kunnen worden. Zij zien niet dat de zon tijdens zijn dagelijkse omloop een scheve koers van het westen naar het oosten volgt, en dat hij onregelmatig beweegt en door deze beweging de lengte van het jaar en de verandering van dag en nacht veroorzaakt. Ze merken niet dat de maan nu eens sneller, dan weer langzamer beweegt, dat zij nu eens dichter bij de aarde, dan weer verder van de aarde vandaan is. Bovendien observeren ze niet dat de overige vijf planeten ook tegen de dagelijkse omloop inlopen, en wel in ongelijke mate, zodat ze dan hun omloop versnellen, nu weer verlangzamen, soms zelfs stil staan en vaak in hun oude omloopbaan terugkeren en dat ze dan van de baan van de zon tegen het zuiden, dan weer tegen het noorden afwijken, terwijl ze hun weg langs de ecliptica doorlopen. Dit, zeg ik, en veel meer van datgene wat onophoudelijk gebeurt, zien degenen niet die de astronomie niet kennen; tevens zouden ze de oorzaken van zulke grote afwijkingen niet inzien, zelfs wanneer ze die konden zien.” [1] (Afb. 29).
Tycho beschrijft hier de beweging van de planeten tegen de achtergrond van de vaste sterren. Tijdens de dagelijkse baan van de planeten – van de oostelijke opgang via de culminatie in het zuiden en de westelijke ondergang, die ook de Zon, Maan en de vaste sterren meemaken, omdat deze baan door het wentelen van de aarde om haar as veroorzaakt wordt – maken de planeten, inclusief Zon en Maan, tegen de achtergrond van de vaste sterren een tegenovergestelde beweging door, die van het westen naar het oosten verloopt en bij de planeten – zonder Zon en Maan – ten tijde van lusvorming ook teruglopend kan zijn.
Deze alleen voor de aandachtige observator waar te nemen beweging, die in een modern planetarium door het uitschakelen van de rotatie van de aarde en het versnellen van de omloopbanen zo indringend mooi zichtbaar kan worden gemaakt, wordt ook door Wolfram beschreven. In de Willehalm zegt Giburc dat deze beweging van west naar oost tegen de hemel vecht (Wh. 216: 9-11):
derz firmamentum an liez | die het firmament in beweging bracht
unt die siben plâneten hiez | en de zeven planeten beval
gein des himels snelheit kriegen | de snelheid van de hemelsbeweging op te vangen
Deze passage staat tegenover een soortgelijke in de Parzival, waaruit blijkt dat in beide epen dezelfde astronomie consequent vertegenwoordigd wordt. De andere Arabische vrouw, Cundrie, zegt met andere woorden hetzelfde wat ook de Arabische Giburc zegt (P. 782: 14-16);
die sint des firmamentes zoum, | ze [de planeten] beteugelen het firmament
die enthalden sîne snelheit; | en houden de snelheid daarvan in. Hun tegenkracht
ir kriec gein sîme loufte ie streit. | heeft de loop ervan altijd weerstreefd.
Er bestaat dus ook met betrekking tot de astronomische voorstellingen een eenheid en geen tegenstrijdigheid tussen de Willehalm en de Parzival. Beide werken behelzen, lang vóór Tycho, een Tycho-astronomie.
Deze planetenbewegingen interesseert ons vandaag de dag nog nauwelijks, omdat wij ze – sinds de heliocentrische optiek – als irreëel beschouwen en afhankelijk van de positie van de observator. De door Tycho en Kyot beoefende astronomie daarentegen beschouwde deze planetenbewegingen tegen de achtergrond van de vaste sterren wel degelijk als een realiteit. Destijds was het orgaan nog ontwikkeld om deze slechts met blote ogen observeerbare bewegingen, die echter vanwege de rotatie van de aarde toegedekt en derhalve alleen voor een bewustere, attentere observatie toegankelijk waren, waar te nemen en zich zelfs de verschillende snelheden van de individuele planeten voor te stellen of navoelen. Wanneer Wolfram zegt (P. 789: 5-7):
daz Mars oder Jupiter | dat Mars en Jupiter woedend waren teruggekeerd
wâren komen wider her | in hun baan naar de plaats
al zornec mit ir loufte | waarvan ze oorspronkelijk waren vertrokken
dan kan ook de huidige mens die in een planetarium de gelegenheid heeft benut om deze snelle, toornige baan van Mars – vergeleken met de rustige, majestueuze en gelaten beweging van Saturnus – te observeren, zich slechts verwonderen over de trefzekerheid van de Wolframse overlevering.
Hoewel het gaat om fysische, berekenbare, observeerbare, voorstelbare bewegingen die in een planetarium zichtbaar gemaakt kunnen worden, is het zoals Tycho Brahe zegt: de leek weet daar niets van.
Nog minder heeft men weet van een tweede soort antieke astronomische kennis die in Wolframs werk wordt aangeduid. Wolframs sterrenwijsheid behelst ook een kennis van de werkingen van sterren. Naast het mechanisch-fysische deel van zijn astronomie – waarmee de huidige astronomen en astrologen geheel vertrouwd zijn – spreekt Wolfram van bepaalde kwalitatieve werkingen van sterren op mensen die door de west-oost baan van de planeten door de dierenriem – afhankelijk van de positie in de dierenriem waarin ze op het moment staan – versterkt of afgezwakt kunnen worden. Anfortas is zeer sterk blootgesteld aan deze werkingen – vooral die van Saturnus, maar ook die van de Maan. Deze kennis omtrent de kwalitatieve invloeden op mensen is voor ons verloren gegaan. Een overblijfsel daarvan – vermengd met het onzekere – is vandaag de dag het onderwerp van de “astrologie”.
In Wolframs werk is echter nog een derde soort sterrenwijsheid herkenbaar die tegenwoordig volledig verloren is gegaan. Flegetanis en in een zekere zin ook Trevrizent zijn in staat inme gestirn … verholnbaeru tougen te lezen. Deze kunst om verholnbaeriu, verborgen of occulte geheimen in een hemellichaam te lezen is voor ons tegenwoordig normaliter ontoegankelijk. Bij dit lezen “inme gestirn” gaat het niet om astrologie, maar om het ontcijferen van een niet fysiek, voor lichamelijke ogen onzichtbaar schrift in een van beide hemellichamen. Onder het begrip gestirn zijn Zon en Maan te verstaan.
Een vierde soort sterrenactiviteit heeft betrekking op de Sibyllen. Sibyllen beleven de werking van de sterrenkrachten op het organisme van de aarde.
Wanneer Wolfram zegt (P. 789: 4-7):
nu hete diu wîle des erbiten, | Nu had de tijd het ogenblik afgewacht
daz Mars oder Jupiter | dat Mars en Jupiter
wâren komen wider her, | woedend waren teruggekeerd,
dan verwijst dit naar het voor ons gangbare mathematisch-fysische aspect van de sterrenwijsheid. Deze aanwijzing betekent gewoon dat na het verloop van een bepaalde tijd Mars of Jupiter in hun gang door de dierenriem weer op hun doel, dwz. eindpunt kwamen te staan. Voor de datering van de Parzival-gebeurtenissen is vooral dit aspect van de sterrenkennis doorslaggevend. Deze stellaire omloopbanen zijn vergelijkbaar met de wijzers van een uurwerk waarmee men de jaren en dagen, uren en minuten kan aflezen.
De tweede, de astrologische kant van de sterrenwijsheid is niet per sé nodig om de Parzival-chronologie te bepalen. We komen er echter niet omheen om tenminste één begrip aan deze astrologie te ontlenen, omdat het door Wolfram op een astrologische manier tot uitdrukking wordt gebracht. Wolfram gebruikt het begrip zil (doel). Volgens de Kyot-astronomie heeft elke planeet een doel. De term waar het hier om gaat, luidt in de huidige astrologie domicilie of huis. Volgens Wolframs astronomie heeft elke planeet in een bepaald sterrenbeeld van de ecliptica zijn woonplaats, zijn behuizing, of te wel zijn zil. Als men het teken van de dierenriem kent, dat naar Wolframs opvatting het zil van een planeet is, dan betekent de terugkeer van een planeet naar zijn doel diens binnenkomst in dit sterrenbeeld. Deze intrede markeert een punt in de ecliptica waarvan het azimut precies bepaald kan worden. Dit vaste punt hebben we nodig om Wolframs aanwijzing (P. 489: 24-25):
dô der sterne Sâturnus | Toen de ster Saturnus
wider an sîn zil gestuont | weer zijn doel had bereikt
te kunnen gebruiken voor het bepalen van het overeenkomstige tijdstip.
De derde soort sterrenkennis, de verholenbaeriu, magische of occulte kant komt tot uitdrukking in P. 454: 17-20:
Flegetânis der heiden sach | Flegetanis de heiden zag
dâ von er blûweclîche sprach, | in het gesternte met eigen ogen
im gestirn mit sînen ougen | verborgen geheimnissen
verholenbaeriu tougen. | waarover hij schroomvallig sprak.
Dit derde aspect van de sterrenkennis – het occulte lezen in het gesternte – heeft betrekking op een vaardigheid van Flegetanis om inme gestirn op een soortgelijke wijze de naam van de Graal te lezen als in Munsalvaesche de naam Parzival op de Graal te lezen was.
Wolfram duidt echter nog een vierde variante van oude sterrenwijsheid aan, die van de Sibyllen. Hij noemt de Sibyllen en Plato zowel in de Parzival als in de Willehalm, daar waar hij spreekt over de zondeval en de rechtzetting daarvan door Christus. In de Willehalm zegt hij (Wh. 218: 13):
Sibille und Plâtô | Plato en de Sibyllen
die hohen schulde uns kûndent sô. | leggen ons de vreselijke schuld zo uit.
In de Parzival luidt het (P. 465: 21):
der pareliure Plâtô | De redenaar Plat
sprach bî sînen zîten dô | verkondigde het reeds in zijn tijd
und Sibill diu prophêtisse. | alsook de profetes Sibille.
Het is opvallend dat Wolfram tweemaal in deze context naar Plato en de Sibyllen wijst en niet naar het oude Hebraïsme. Op dezelfde manier slaat hij het antieke Jodendom daar waar hij bericht dat de Graal – nadat deze door de neutrale engelen werd verlaten – door gedoopte mensenkinderen werd behoed (P. 454: 27-28). Men heeft vermoed dat Wolfram kennelijk een afkeer jegens het Oude Testament had, daar hij het vermijdt om de schijnbare lacune in de voorchristelijke lijn van de Graalhoeders op te vullen met gestalten uit het oude Jodendom. De verwijzing naar Sibyllen en Plato toont echter aan dat Wolfram precies weet waar hij het over heeft, indien hij niet het Jodendom maar het Egyptische Sibyllendom en de Griekse filosofie als voorlopers van het Christendom beschouwt. Plato en de Sibyllen vertegenwoordigden zonnereligies; ze beschikten nog over de natuurlijke vaardigheid om de samenhang waar te nemen tussen menselijke lotsbestemming en de invloed van de hele kosmos op de natuur, en om daaruit conclusies te trekken.
In het oude Jodendom beperkte men zich om aan de maan – maar niet aan de hele kosmos – een dergelijke invloed toe te dichten. Verder dan de maan wilde de oude Hebreeër geheel bewust niet gaan. Jahweh was de God die – vanuit de maan – het lot van het volk Israël leidde. We hebben gezien dat het oude volk van de Joden de aparte missie te volbrengen hadden om door 42 generaties “de Tempel van God” te bouwen. Het volk van Israël moest zich op deze missie concentreren en zich aan Jahweh, de Heer van de aarde – die vanuit de maan werkzaam was – onderwerpen. De voorchristelijke Graal moest buiten het Jodendom de met het Christendom verwachte zonnereligie voorbereiden en ervoor zorgen dat het oudtestamentische deeldoel niet tot einddoel werd omgeturnd.
De Egyptische Sibyllen en de Griekse filosofen voorspelden deze verdere, christelijke weg en stonden daardoor in dienst van een Graalmissie. De Sibyllen voelden nog op een natuurlijke manier de werking van de door Wolfram beschreven sterrenactiviteit aan. De oude Hebreeërs echter hadden – als eersten – geen affiniteit meer met de oude kosmologie en de daarin voorhanden Godenhemel. Voor hen was slechts de ene God maatgevend. Dit was immers het eigenlijke nieuwe aan het Jodendom. Jahweh-Jehova, de Heer van de aarde, die vanuit de maan het volk van Israël leidde, “duldde geen andere Goden naast zich.” Wolfram noemt daarom niet de oude Hebreeërs als voorlopers van het Graalchristendom, maar de Egyptische Sibyllen en de Griekse filosofen. Hij wil ons dus vertellen dat de Graaltraditie niet te vinden is waar we ze door gebrek aan onderscheidingsvermogen menen te moeten zoeken, maar daar waar ze volgens hem ook daadwerkelijk loopt.
Tycho Brahe en Kepler, de grote astronomen van de nieuwe tijd, zochten op de juiste plek. Zij onderkenden de werking van de hele kosmos op de mens en zijn ontwikkeling en gaven dit nog duidelijk aan. Van Keplers astronomie erkennen we vandaag de dag alleen nog de door hem ontdekte fysische planetenwetten. De door Kepler nog bewust gekende samenhang tussen microkosmos en macrokosmos is sindsdien voor ons denken ontoegankelijk geworden. Daarom bestaat voor onze huidige astronomie alleen nog het materiële.
Goethe had nog – of al weer – enig idee van die kwalitatieve invloeden op de organische ontwikkeling waarvan Wolfram ons bericht. Goethe wijst op net zo’n exacte manier als Wolfram en met net zulke meesterlijk gekozen woorden op de samenhang tussen sterrengang (sterrenbaan) en het menselijke leven.
Urworte, Orphisch/ DämonUrworteOerwoorden, Orfisch Demon
“Wie an dem Tag, der dich der Welt verliehen,Urworte | “Zoals op de dag dat gij aan de wereld werd geschonken,
Die Sonne stand zum Grusse der Planeten | De zon er stond ter begroeting der planeten,
Bist alsobald und for und fort gediehen | Bent gij dus algauw en alsmaar groter gewassen,
Nach dem Gesetz, wonach du angetreten. | Volgens de wet waarna gij gekomen.
So musst du sein, dir kannst du nicht entfliehen | Zo moet je zijn, jezelf kan je niet ontkomen,
So sagten schon Sibyllen, so Propheten; | Dat zegden reeds Sibyllen en profeten;
Und keine Zeit und keine Macht zerstückelt | En tijd noch macht maakt stuk
Geprägte Form, die lebend sich entwickelt | Ingeprente vorm die levend zich ontwikkelt.”
De overeenstemming van Goethe met Kepler, Tycho Brahe en Wolfram von Eschenbach moge hier alleen aangestipt worden. Onze eigenlijke opgave is echter de zoektocht naar het sleutelwoord dat ons met behulp van Wolframs aanwijzingen in staat stelt – op zuiver mathematisch-fysische wijze – het tijdstip te berekenen waarop Parzival Graalkoning is geworden. We moeten eerst uitzoeken welke doelen de astronomie van Parzivals tijd heeft toegekend aan die planeten waarvan Wolfram ons de constellaties aangeeft. Wolfram vertelt ons dit niet, hij veronderstelt deze kennis simpelweg. Met zijn verwijzing naar Plato en de Sibyllen duidt hij echter wel de richting aan waarin we moeten zoeken.
In het onderzoek naar de oorsprong van Wolframs astronomie-astrologie kunnen we Wolframs eigen indicaties volgen. Hij zegt dat Flegetanis’ sterrenwijsheid van Adam stamt, die het van God overgenomen heeft (P. 518: 1). Het gaat dus om een goddelijke wijsheid waar vroeger kennelijk elke astronoom of arts in thuis was. De antieke astronomen waren in staat om de invloed van de sterren niet alleen in de mens maar ook in de elementen waar te nemen. Er was bijvoorbeeld een zeer gedifferentieerde edelsteenleer die elke steen een heel bepaalde planetenwerking toedichtte. Wolfram noemt in deze context Alexander de Grote en Pythagoras, waarvan hij zegt dat deze een astronomire was (P. 773: 25). Pythagoras en Alexander de Grote zijn dus fases in de ontwikkeling van de Graalastronomie. Daarna volgen dan de Chaldeeuwse astronomen die in Wolframs werk door de Drie Wijzen uit de Oriënt vertegenwoordigd worden. Wolfram verwijst niet alleen duidelijk naar deze magiër-astronomen uit de tijd rondom de geboorte van Christus. Hij vertelt ons ook duidelijk waar de astronomie of de astrologie van deze magiër later – in de 8ste eeuw – nog te vinden is. Hij verwijst naar een sterrenkundige waarvan we uit de geschiedenis weten dat hij een arts en eveneens een meester in de Chaldeeuwse astronomie was: Tebit. Tebit was de Haranitische Sabiër aan de Hofschool van Bagdad, waarvan aangenomen mag worden dat hij Arabels leraar was. Tebits astrolatrische kennis stamt dus van de drie Magiërs uit de Oriënt die Wolfram met de namen Caspar, Melchior en Balthasar noemt. Deze drie Wijzen – maar vóór hen reeds Alexander en Pythagoras – kenden de voor ons gangbare mathematisch-fysische kant van de astronomie, maar daarnaast ook de tegenwoordig voor ons minder of niet meer toegankelijke delen daarvan die, afkomstig van Adam, tot de kennis van de oudheid behoorden.
Wolfram noemt de stadia die de astronomie in het loop van de geschiedenis heeft doorlopen in lapidaire kortheid: Pythagoras, Alexander de Grote, de magiër uit het Oosten en Tebit. De magiër uit de Oriënt en de Driekoningenster zijn van centrale betekenis. De Driekoningenster speelt in de Willehalm en – zoals we zullen zien ook in de Parzival – een sleutelrol in de Wolfram-astronomie. De magiërs uit de Oriënt – dit kennen we uit de Bijbel – waren in staat om het moment in de hemel af te lezen waarop Jezus geboren werd. Ze onderkenden dit tijdstip in de conjunctie van Saturnus met Jupiter in het sterrenbeeld Vissen. Dit teken stond in het jaar 7 v. C. leesbaar aan de hemel. Net zoals Tycho Brahe – na de Parzival-tijd – de Parzival-astronomie tot een mathematisch wereldbeeld heeft ontwikkeld, vinden we een parallel met de Parzival-astronomie van een vroegere tijd bij de heilige Drie Koningen. Hun astronomie vinden we in Wolframs werk terug. Als we onze hoop zetten op een bruikbaar antwoord, moeten we daarom bij de Drie Koningen te rade gaan.
Over de astronomie der heilige Drie Koningen zegt de Weense astronoom K. Ferrari d’Ochieppo in zijn werk Der Stern der Weisen [2][3] dat wij onze kennis omtrent deze astronomie van de Chaldeeërs aan het feit te danken hebben dat Babylon sinds het begin van een wetenschappelijke astronomie tot aan de eerste eeuw n.C. naar een ononderbroken geleerdentraditie kan wijzen, die gebruik maakte van keilschrift op kleitabletten. Deze tabletten heeft men opgegraven. Een daarvan, in het British Museum, behelst een kalender van het jaar 7 v.C. met een verwijzing naar de grote conjunctie dat jaar en met de authentieke overlevering van de geschiedenis van deze drie Wijzen uit het Oosten. De Weense astronoom zegt (blz. 25):
Babylon, deze ooit vooraanstaande wereldstad van het oude Oriënt, moeten we als de stad van herkomst van de magiër zien. Het zijn juist de kenners van de geschiedenis van de oudheid die soms verrast zijn door deze bewering. Want aan de politieke rol van Babylon was na het uiteenvallen van het kortstondige wereldrijk dat Alexander de Grote had opgericht en als de hoofdstad waarvan hij Babylon tot hernieuwde bloei wilde brengen, zeer snel een einde gekomen. Seleucus I, die in dit deel van Alexanders rijk de macht naar zich toetrok, stichtte namelijk op een strategisch belangrijke plaats aan de Tigris een nieuwe hoofdstad Seleucia. Pausanias bericht: Seleucus … was ook elders rechtvaardig en godvruchtig …Toen hij namelijk zijn residentie …verplaatste en de Babyloniërs als medebewoners daarheen verhuisden, liet hij niet alleen de muren van Babylon intact maar ook het heiligdom van Bel [Mardoek] en liet hij de Chaldeeërs daar wonen…Rond de tijd van Christus waren er zeker nog maar zeer weinigen die de oude traditie oprecht hielden. Maar het waren mannen die, hoewel heidenen, in een bewonderenswaardige religieuze trouw bij hun tempel bleven. Ooit, in de bewogen tijden vóór en tijdens de omverwerping van Babylon onder de Perzische heerschappij, hadden deze Mardoekpriesters op een doorslaggevende wijze in de grote politiek ingegrepen, doordat ze zich van de naar de maancultus neigende koning Nabu-na’id afkeerden en Cyrus de Grote, de stichter van het eerste Perzische rijk, als bevrijder begroetten, daar hij hun God Mardoek vereerde.[3]]
Wij onderbreken dit citaat om te zeggen dat Cyrus, die reeds voor zijn troonbestijging “de handen van Mardoek” (Michaël) had gepakt, een leerling van Zaratas (Zarathoestra) was. In deze periode (525 v.C.) maakte ook Pythagoras een pelgrimstocht naar Babylon, alwaar hij door Zaratas werd ingewijd in de zonneastronomie (Xantos). De Weense astronoom gaat door:
Hun in eenzaamheid wijs geworden nakomelingen verwierpen aardse roem doordat ze slechts bij uitzondering hun namen op de achterkant van de door hen geschreven tabletten zetten, terwijl dit in Oeroek wel de regel was. Het is dus niet zo verbazingwekkend dat de magiërs ook hun eigen geschreven bericht, dat voor de evangelisten als bron kan hebben gediend, geheel bewust niet van hun handtekeningen hebben voorzien. Dit zou een voor de hand liggende verklaring kunnen zijn voor het ontbreken van hun namen in de authentieke overlevering.[4]
Ferrari d’Ochieppo gaat met deze verwijzing tegelijk van Cyrus en Pythagoras, die leerlingen van Zarathoestra, Zaratas of Zoroaster waren, via Alexander de Grote over naar de heilige Drie Koningen en vult daarmee de etappe tussen Pythagoras en de heilige Drie Koningen – die Wolfram alleen stadia van zijn astronomie noemt – in met een doorlopende historische traditie.
Ook na de tijd van de drie magiërs loopt de Chaldeeuwse astronomie historisch volgbaar verder tot Tebit. De route loopt via Efeze en Haran. Er is een brief van Julianus de Apostaat aan een Babylonische astronoom, waaruit blijkt dat er in Efeze in het jaar 351 n.C. een filosofenschool bestond die geleid werd door twee eerbiedwaardige grijsaards, in wier midden de jonge Flavische prins Julianus stond. In deze brief zegt Julianus welke leren daar werden onderricht: de filosofie van Iamblichus en de theosofie van de Chaldeeuwse magiër Julianus.
Daar de Haranieten eveneens tot de traditie van de school van Efeze behoren, mag aangenomen worden dat Tebit – 450 jaar na Julianus de Apostaat – de astronomie van de magiër Julianus, naamgenoot van de keizer Julianus, beoefend en aan de hofschool gedoceerd heeft. Wolframs etappe – van de drie Wijzen naar Tebit – is daarmee historisch eveneens aantoonbaar.
We hebben op deze manier te maken met een overleveringsketen van Pythagoras via Alexander de Grote en de in Babylon gebleven “Chaldeeër” tot de drie Wijzen uit het Oosten en in de tijd na Christus via de heidense Chaldeeër Julianus de Astronoom en de Romeinse keizer Julianus de Apostaat tot Tebit (Flegetanis) en van deze via Arabel-Giburc tot Willehalm-Kyot, de zegsman van Wolfram von Eschenbach. Wolframs indicaties over de herkomst van de Parzival-astronomie zijn dus terug te voeren naar de Chaldeeuwse, op z’n laatst in Babylon tot grote bloei gekomen astronomie van de oude Alexander-tijd die haar kennis van Pythagoras – de leerling van Zaratas – afleidt. Pythagoras was echter ook een leerling van de Egyptenaren.
De betrouwbaarheid van Wolframs korte, ver uit elkaar liggende verwijzingen naar de doorgeefluiken van zijn astronomie – van Zarathoestra en Pythagoras via Alexander en de heilige Drie Koningen tot aan Tebit – wordt nog op een andere manier bevestigd door het citaat uit de brief van Julianus de Apostaat. In het hoofdstuk “Kyot de Provençal” [in deel I] hebben we over Haran, de woonplaats van Tebit, gesproken en Chwolson geciteerd die zegt dat Julianus’ dood oprecht beweend werd. Wat we echter niet van Chwolson te weten zijn gekomen is wat precies de filosofie van de Haranieten en ook die van Julianus voorstelde. Nu noemt Julianus echter in die bewuste brief niet alleen de Chaldeeuwse astronomie. Hij vertelt ons ook dat de toentertijd in Efeze onderwezen filosofie de theosofie van Iamblichus is geweest. Door Iamblichus worden we dus op een verrassende wijze weer naar Pythagoras teruggevoerd. Iamblichus leefde in de 3de eeuw als een neoplatonische schrijver die een van de twee bewaard gebleven biografieën over Pythagoras heeft geschreven. Hij liet ook een werk van tien delen over de school van Pythagoras achter, waarvan er vijf bewaard zijn gebleven. Iamblichus was een Pythagoreeër.
Er loopt dus een wereldhistorische ontwikkelingslijn via de door Wolfram aangegeven stadia van Pythagoras naar Tebit en via Kyot over in de Parzival-astronomie, die de trefzekerheid van Wolfram aanwijzingen op een unieke wijze bevestigt. Wolfram beschikte over een arsenaal aan historische kennis die wij vandaag de dag eerst weer moeizaam bij elkaar moeten sprokkelen.
De docent voor theoretische astronomie aan de Universiteit van Wenen, Konradin Ferrari d’Occhieppo – die onderzoek deed naar de ster der Wijzen – zegt dat juist de kenners van de geschiedenis van de Oudheid soms verrast zijn door de bewering dat Babylon de bakermat van de Magiërs zou zijn.
Hetzelfde geldt ook voor de uit de mond van Wolfram zo vanzelfsprekend klinkende aanwijzing over Pythagoras. Men is verbaasd om te horen dat Pythagoras een voor Wolfram beduidende astronomire geweest zou zijn.
De brede massa kent Pythagoras heden – in verband met de pythagoreïsche leerstelling – voornamelijk als mathematicus. Pythagoras-kenners die Pythagoras in de eerste instantie middels de door hem nagelaten geschriften willen benaderen, worden door hem teleurgesteld. Pythagoras heeft zijn essentiële leerstukken alleen mondeling overgeleverd. Bewaard gebleven overleveringen over Pythagoras zijn er maar weinig. De tekstcritici zien daarom in de grote Griek alleen nog maar een onbewijsbare legende. Zijn invloed – tot aan de Middeleeuwen toe – zou dientengevolge echter helemaal niet mogelijk zijn. Maar die invloed is er wel degelijk en kan dus niet teruggevoerd worden op een misverstand.
Wolfram von Eschenbach wekt deze indruk echter niet. Hij spreekt met een verbazingwekkende zekerheid van Pythagoras. Wolfram noemt historische namen maar zelden. Des te groter is de betekenis van zijn verwijzing naar Pictagoras. Deze moet een in zijn eigen lijn liggende astronoom geweest zijn.
Er komen echter ook huidige experts, die Pythagoras niet door de vorm van de overlevering benaderen maar via de inhoud daarvan, tot Wolframs overtuiging. Een zo’n onderzoeker – Ernst Bindel – die als mathematicus kennelijk zonder Wolframs indicatie dat Pythagoras een astronoom was tot hetzelfde resultaat is gekomen, zegt in zijn boek Pythagoras [5][6] het volgende over het verblijf van de Griekse geleerde in Babylon:
In zijn strakke stijl bericht Strabo (ca. 64 v.C. – 19 n.C.) dat Pythagoras uit liefde voor de wetenschap naar Egypte en Babylon is gegaan. Met enige twijfel houdt Cantor een verblijf in het land van de Chaldeeërs alleen al voor geloofwaardig, daar anders de kennelijke, Chaldeeuwse invloed op de oud-pythagoreïsche doctrine raadselachtig zou blijven. Aan het in Egypte door Pythagoras overgenomen wereldbeeld ontbrak nog een wezenlijke noot die hem pas hier vol tegemoet klonk: een intiemere verbinding met de geheimen van de sterrenhemel, waarvan de Chaldeeërs een kennis genoten die boven die van de Egyptenaren uitging. De antieke astronomie is immers onbegrijpelijk zonder het aan haar inherente astrologische en astrosofische aandeel. Haar geocentrisch wereldbeeld werd zowel uit de zuivere hemelobservatie gevormd als uit het lezen in het sterrenschrift, dat de bewegende planeten met hun in elkaar verstrengelde lusvormingen voor de sfeer van de vaste sterren inprenten, een schrift dat in verband met de gebeurtenissen op aarde en het leven van de mensen werd gebracht. Zo en niet anders zal Pythagoras het nieuwe dat hem hier werd aangeboden aangenomen hebben. Hier zal hij vertrouwd zijn geraakt met de kosmische figuren die de planetenwereld door haar conjunctie-, oppositie- en overige hoekposities aanbiedt. Wat hij later als zijn doctrine van de sferenharmonie ontwikkelde, zal door zijn contact met de Chaldeeuwse magiërs hier zijn wortels hebben. Wat hem ook beïnvloed heeft is hun hoogontwikkelde numerologie, die recentelijk Otto Neugebauer in zijn Vorlesungen über Geschichte der antiken mathematischen Wissenschaften (1934) onderzocht heeft. Wie zich hierover wil oriënteren, kan te rade gaan bij het reeds genoemde werk Erwachende Wissenschaft van Van der Waerden:
Tijdens zijn Babylonisch verblijf zou Pythagoras een leerling van Zarathoestra zijn geweest. Deze verbinding wordt door een reeks oude schrijvers, waartoe ook Aristoxenos behoort, gedocumenteerd. Dit is ook al waarschijnlijk omdat anders zo’n centraal aspect van de oud-pythagoreïsche leer als de opsomming van de contradicties die de wereld beheersen niet te begrijpen zou zijn. Het gaat om de tabel van de tien pythagoreïsche categorieën, waarover nog te spreken valt. De kern van de religieuze leer van Zarathoestra is de aanname van de twee elkaar bestrijdende machten van het Goede en het Kwaad, die gepersonifieerd verschijnen in de Godengestalten van Ahoera Mazdao en Angra Mainyusch. De opsomming van de tien, al het aardse gebeuren beheersende polariteiten zou een werk kunnen zijn dat pas na de dood van Pythagoras door zijn leerlingen gemaakt is, toch geeft dit werk in enkele delen blijk van de verwantschap met de door Zarathoestra in het centrum van zijn beschouwingen gestelde, elkaar tegenstrijdige machten. Dit is welhaast de belangrijkste reden dat Rudolf Steiner meermaals op een persoonlijk contact van Pythagoras met Zarathoestra heeft gewezen.
Een huidige onderzoeker, die zich als wiskundige met Pythagoras heeft bezig gehouden, komt dus tot de conclusie dat de Iraans-Chaldeeuwse astronomie door toedoen van Pythagoras in de Griekse is overgegaan.
Onafhankelijk van Wolfram – zuiver vanuit de feiten zelf – komt Bindel tot Wolframs opvatting dat Pythagoras ein astronomire was en dat diens astronomie van Chaldeeuwse oorsprong is. Hij brengt ook op een trefzekere manier tot uitdrukking hoe wij ons deze astronomie moeten voorstellen.
Daarmee levert Bindel een welkome bijdrage aan een Wolfram-onderzoek dat zich tot doel stelt Wolframs geloofwaardigheid aan te tonen.
Gemeten aan de vaststellingen van Ferrari d’Ochieppo als vakastronoom en van Bindel als wiskundige – na meer dan twintig jaar onderzoek en zonder enig verband met Wolfram von Eschenbach – blijken Wolframs aanwijzingen over de in de Parzival aanwezige astronomie verbazingwekkend exact te zijn.
Wolfram was kennelijk niet alleen een historicus in een uiterlijke zin, wiens beroep het was om de geschiedenis op een objectieve wijze af te schilderen zonder persoonlijk geëngageerd te zijn. Hij had in de overleveringsketen uit Thuringia de functie van vertaler en publicist, een functie die hij alleen op zo’n uitstekende wijze heeft kunnen uitoefenen door persoonlijk meer dan alleen wetenschappelijk geëngageerd te zijn. Wolfram kan zeker persoonlijk als behorend tot de Graaltraditie gerekend worden. De zekerheid waarmee hij uit de doolhof van de geschiedenis juist die personen er uitpikt die de geestelijke voorgangers van de Graalstamboom blijken te zijn is verbluffend. Het is geheel onmogelijk dat hij deze zekerheid uit de resultaten van de eigentijdse geschiedkunde heeft kunnen putten. Bij hem moet daar nog bij komen, dat voor hem diepere inzichten in zijn eigen afstamming mogelijk zijn geweest. We plaatsen afstamming in cursief, omdat met deze afstamming niet Wolframs voorvaderen zijn bedoeld, maar zijn geestelijke afstamming in de zin van het Visioen van de Heremieten in het jaar 750, die in het eerste hoofdstuk van het hem door zijn Meester achtergelaten boek zijn afstamming heeft leren kennen.
Interessant in dit verband is een gezegde van Kepler. We hebben erop gewezen dat Tycho Brahe de Graalastronomie tot een mathematisch doordacht wereldbeeld heeft ontwikkeld. Kepler volgde Tycho in Praag op en werd de voortzetter van een uitgebreide Tycho-astronomie en zo de vader van een moderne astronomie doordat hij op grond van Tycho’s unieke planetenobservaties, waaraan deze 35 jaar van zijn leven gewijd had, de moderne planetenwetten ontdekte. Zonder de geometrie van Pythagoras en de vijf door hem berekende regelmatige lichamen zijn Keplers wetten ondenkbaar. Kepler voelt zich aan Pythagoras innerlijk schatplichtig. Hij heeft niet alleen gezegd dat hij de vaten aan de oude Egyptische wijsheidsleraren – uit de bouwtijd van de piramiden – ontleend heeft. In een brief aan Mästlin schrijft hij ook de mysterieuze zin: nec reviviscit Pythagoras, qui hoc mihi referat, nisi si eius anima in me migravit (en niet ontstaat Pythagoras weer, het zij dan dat zijn ziel in mij binnengetrokken is.) Met dit door Bindel geciteerde vermoeden van Kepler over een verband tussen diens eigen streven en dat van Pythagoras – opvallend daarbij is dat Pythagoras een werk over sferen-harmonie, Kepler een werk over wereldharmonie Harmonices mundi heeft geschreven – worden de aanwijzingen van Wolfram von Eschenbach bevestigd. Deze plaatst de Graal-astronomie in dezelfde samenhang waarin ook Kepler met Pythagoras verbonden is. Nu we weten hoe nadrukkelijk Kepler naar Pythagoras, de leerling van Zaratas, en Wolfram naar de heilige Drie Koningen, die eveneens bij de door Zaratas gestichte Chaldeeuwse school behoorde, verwijzen, moeten we – ten einde zeker van onze zaak te zijn – de Chaldeeuwse astronomie raadplegen.
Willehalm heeft Chaldeeuws geleerd zodat hij de geschriften van de Chaldeeërs direct kon lezen.
Bij het zoeken naar nadere informatie over de Parzival-astronomie kunnen we dus onze benadering verder voeren door aan de ene kant de astronomie van de Chaldeeërs en de heilige Drie Koningen, de voorlopers van de Parzival-astronomie, en aan de andere kant de astronomie van Tycho Brahe te bestuderen, die de Parzival-astronomie in de 16de eeuw tot een hermetisch wereldbeeld – de Hypothesis Brahea – heeft uitgebouwd.
Wij achten de studie van de ster van de magiërs zo belangrijk, daar Wolfram ons nadrukkelijk op de ster van Bethlehem wijst, hoewel hij deze – zoals dat in deze situatie ook gepast is – antithetisch tegenover Willehalms standaard plaatst (Wh. 369:13-21):
da der sterne mit sîm glaste | waar de ster in zijn glans
sô rîlîchen vaste | licht blinkend straalde
ûzes marvrâven vanen schein. | op de vaandel van de Markgraaf.
dâ für habe iwer deheim, | Niemand onder jullie moet echter denken
daz ez der sterne waere | dat het de ster was,
von dem man sagt daz maere, | waarvan het verhaal gaat
der die drîe künige leite: | dat die de Drie Koningen heeft geleid:
dirre stern alhie bereite | deze stern hier bracht
vil tjost die Sarazîne. | de Sarazenen veel gevechten.
Als men onder de Driekoningenster niets concreets voorstellen kan, wordt zo’n terloopse opmerking van Wolfram over het hoofd gezien. Nadat de geciteerde Weense astronoom overtuigend bewezen heeft dat het bij deze ‘Ster der Wijzen’ ging om een drievoudige Saturnus-Jupiter conjunctie in het sterrenbeeld Vissen, wordt deze geheimzinnige opmerking van Wolfram in zijn Willehalm een sleutel tot de oplossing van het probleem van de Parzival-chronologie alsmede voor de beantwoording van de vraag naar de samenhang tussen de Graalgeschiedenis, de Drie Koningen en het kosmische Christendom. In de tijd van Parzival blijkt zich een soortgelijke gebeurtenis aan de hemel te hebben voltrokken als in de tijd van de Drie Koningen. Er bestaat een direct verband tussen de Drie Koningen en het Graalgebeuren: door de kosmische overeenkomst tussen de Ster van Bethlehem en de Ster van Munsalvaesche.
Als de Drie Koningen in staat waren om de grote conjunctie van het jaar 7 v.C. te berekenen, dan waren ze ook in staat om vooruit te berekenen dat zich in het jaar 848 een soortgelijke constellatie – dit keer verder westwaarts in hetzelfde sterrenbeeld Vissen – zou herhalen. De Magiërs, die de Iraanse Zarathoestra-overlevering dienden, moeten geweten hebben welke historische betekenis een dergelijke conjunctie heeft. Een grote conjunctie in Vissen, dwz. een vlak bij elkaar staan van Saturnus en Jupiter in het sterrenbeeld Vissen, gebeurt slechts om de 854 jaar.
Dit teken zagen de drie Magiërs uit het Oosten in het jaar 7 v.C. aan de hemel en daardoor wisten ze dat de stichter van hun religie, Zarathoestra, nu op het punt stond te reïncarneren. Uit datgene wat de Magiërs overgeleverd hebben, wat op Zarathoestra zelf teruggevoerd moet worden, wisten ze dat Zarathoestra in deze incarnatie uitverkoren was om na zijn geboorte als Jezus-kind in 30 jaar de “Tempel van God” te bouwen ten einde in zijn 30ste levensjaar de verwachte Helper of Verlosser in zich op te nemen. Op dezelfde wijze verwachtten de Joden de komst van hun Messias.
Dat Wolfram niet bij de Joods-Mozaïsche, maar bij de Perzisch-Iraanse Zarathoestra-traditie van de heilige Drie Koningen aansluit, blijkt uit de wijze waarop de Flegetanis-traditie is overgeleverd. Deze traditie werd in de tijd vóór de geboorte van Christus vooral door de Assyrische Chaldeeërs in Babylon gecultiveerd. Zij verwachtten hun Helper: Saosyant. De Helper is de Verlosser van de Zarathoestra-traditie, zoals de “Messias” de Verlosser is van de Mozes-traditie. Beide tradities verwachtten dezelfde Verlosser die dan – na de doop in de Jordaan – door die Heidenen en Joden die hem vonden Christus werd genoemd.
Er bestaat een belangrijk verschil tussen de Helper-traditie van Zarathoestra en de Messias-traditie van Mozes. De leerlingen van Zarathoestra kenden het exacte tijdstip van de gebeurtenis, maar niet de exacte plaats. De leerlingen van Mozes kenden de exacte plaats wel, maar daarentegen niet het precieze moment van de komst van de verwachte Verlosser.
De Perzisch-Chaldeeuwse plaatsbepaling luidde ongeveer in “het midden van de antieke wereld”. De joodse tijdbepaling rekende met de afloop van 3 keer 14 generaties sinds Abraham en 2 keer 14 generaties sinds David (Mat. 1:17). Er waren in de 42ste generatie vele mogelijkheden voor de geboorte van een Messias, zelfs met de beperking dat de Messias in Bethlehem geboren moest worden.
Toen de Drie Koningen deze belangrijke constellatie observeerden, wisten ze als leerlingen van Zarathoestra “dat de tijd is gekomen”. Ze kwamen van de opgangen – dus van het oosten uit het Tweestromenland – naar Jeruzalem in “het midden van de wereld” en zochten daar naar de plaats waar ze de pasgeboren koning konden aanbidden. Ze waren dus niet alwetend. Ze wisten uit de plaats van de conjunctie in het sterrenbeeld Vissen dat ze als bewoners van het oosten naar het westen moesten trekken. Ze kenden echter de exacte plaats op aarde niet en moesten deze in de geografische werkelijkheid eerst gaan zoeken.
In Jeruzalem wist men niets van oude sterrenwijsheid, maar men kende de rij van generaties. Zo konden de leerlingen van Mozes hun de exacte geboorteplaats van de Messias aangeven: Bethlehem.
Herodes op zijn beurt speurde bij de leerlingen van Mozes naar het exacte tijdstip van deze geboorte. Hij wilde weten wanneer de ster was verschenen. Het exacte moment was de leerlingen van Mozes kennelijk niet bekend. Ze wisten alleen dat dit tijdstip 42 generaties na Abraham lag. Pas beide overleveringen – de kennis omtrent de exacte tijd en daarnaast de kennis omtrent de exacte plaats – maakten het opsporen van de nieuwe koning mogelijk.
Op een soortgelijke manier wordt in de Parzival, waarvan de historische tijd 854 jaar na de heilige Drie Koningen ligt, over Kyot gesproken. Deze heeft uit het geschrift van Flegetanis het oorspronkelijk Iraanse deel van de Graalprofetie leren kennen: de Zarathoestra-traditie. Dit deel bevatte het sleutelwoord waaronder de gebeurtenis plaatsvond. Flegetanis, de Syrische magiër, had dit woord in het gesternte gelezen. Het luidde: Graal. Hij kende – net als de Magiërs uit het Oosten – het exacte tijdstip, maar alleen ongeveer de plaats. Die was vanuit de plaats van de grote conjunctie in het sterrenbeeld Vissen slechts globaal herkenbaar. De locatie wees naar het toenmalige Westen. Het moet in het geschrift van Flegetanis met Ierland, Frankrijk en Brittannië aangegeven zijn geweest, want in dit gebied is Kyot vervolgens gaan zoeken. De exacte locatie was kennelijk niet in de profetie van Flegetanis bekend, want anders zou Kyot niet in meerdere landen hebben moeten zoeken. Wolfram wijst met de volgende woorden op deze situatie (P. 454: 9-30):
9 Flegetânîs der heiden | De heiden Flegetanis
10 kunde uns wohl bescheiden | kon ons zeer wel meedelen
jeslîches sternen hinganc | wanneer iedere ster verdwijnt
unt sîner künfte widerwanc; | en weer terugkomt;
wie lange jeslîcher umbe gêt | hoe lang elk omloopt
ê er wider an sîn zîl gestêt. | eer hij weer op zijn uitgangspunt staat.
15 mit der sternen umbreise vart. | De hele menselijke aard volgt de sterren
ist gepüfel aller menslîch art. | in hun legertors op hun ommereis.
Flegetânis der heiden sach, | Flegetanis de heiden zag
dâ von er blûweclîche sprach, | in het gesternte met eigen ogen
im gestirn mit sînen ougen | verborgen geheimenissen,
20 verholenbaeriu tougen. | waarover hij schroomvallig sprak.
er jach, ez hiez ein dinc der grâl: | Hij betuigde dat er een ding was
des namen las er sunder twâl | dat de Graal heette: de naam daarvan,
inme gestirne, wie er hiez. | hoe het heette las hij duidelijk in de sterren.
‘ein schar in ûf der erden liez: | ‘Een schare die opsteeg tot hoog boven
25 diu fuor üf über die stern hôch. | de sterren heeft hem op aarde gelaten.
op die ir unschult wider zôch, | Of het hun onschuld was of niet,
sit muoz sîn pflegn getouftiu fruht | die hen terug deed keren,
mit alsô kiuschlîcher zuht: | sindsdien moeten gedoopte mensenkinderen
diu menscheit ist immer wert, | er de zorg voor dragen, welopgevoed en kuis;
30 der zuo dem grâle wirt gegert.’ | het zijn altijd nobele mensen die tot de Graal
sus schreip dervon Flegetânis. | geroepen worden.’ Zo schreef Flegetanis daarover.
De verzen 9-14 hebben betrekking op de omlooptijden c.q. op het wiskundige aspect van de oude astronomie. Vers 15-16 raakt de “astrologische” kant van de oude astronomie en de verzen 17-20 karakteriseren de magisch-occulte kant daarvan. De verzen 21-30 geven het resultaat van de derde, de voor de zintuigen verborgen astrale of astrosofische betekenis van de tekens aan de hemel: der aventiure gestifte.
In Dolet=Tudela krijgt Kyot toegang tot deze gegevens. Hij heeft uit het geschrift van Flegetanis het tijdstip van een nieuwe beduidende grote conjunctie in Vissen ervaren en vernomen dat dit gebeuren, dat onder het steekwoord “Graal” een nieuwe impuls in de mensheidsgeschiedenis aankondigde, in het jaar 848 stond te gebeuren en nog verder westwaarts moest plaatsvinden dan het laatste soortgelijke gebeuren zes jaar vóór onze kalender. Met het oog op het door Flegetanis voorspelde gebeuren begon Kyot zijn zoektocht naar het Graalgeslacht.
Hier moeten we ons de vraag stellen wat hij eigenlijk te zoeken heeft. Wolfram zegt (P. 455: 2 ff.):
Kyot der meister wîs | Kyot de wijze meester
diz meare begunde suochen | begon te zoeken
in latinische buochen, | in Latijnse boeken
wa gewesen waere | of hij ergens vernemen kon
ein volc dâ zuo gebaere | waar ooit een volk was geweest
daz ez des grâles pflaege | dat zich steeds in kuisheid had bewogen
unt der kiusche sich bewaege | en geschikt was om voor de Graal te zorgen.
We hebben in het hoofdstuk “Kyot de Provençaal” naar de inleiding op het boek Grand Saint Graal verwezen om aan te duiden naar welke historische gebeurtenis Kyot onderzoek moest gaan doen. We willen dit hoofdstuk hier nogmaals oppakken en in verband brengen met de nog uit te werken chronologie van de Parzival. Kyot moet dus een geslacht zoeken waarin de Graaltraditie gecultiveerd wordt. De inhoud van het Iers-Schotse christendom alleen was onvoldoende om deze Graaltraditie in het westen te vinden. Het Iers-Schotse christendom was weliswaar geschikt om het christendom van de heilige Drie Koningen te begrijpen. Iers-Schotse christenen waren gespecialiseerd in de kennis van de heilige Drie Koningen. Ze waren intensief bezig met dit christendom van de koningen en wisten zelfs het getal en de namen van de Wijzen die niet in de Bijbel genoemd worden. Over de plaatsen waar de Graal werd gecultiveerd wisten ook deze Ierse koningschristenen net zo weinig als de Roomse herderschristenen.
Een of andere historische verwijzing naar de route en de manier waarop de in het westen te vinden Graaltraditie in het westen is gekomen, zijn er niet. Ook de historische Flegetanis-overlevering wist daar niets van. Kyot moest gaan zoeken.
Excursie naar een Graalgebeuren in 750
Als wij vandaag zoeken, dan moeten wij – net zoals destijds Kyot – binnen de legendarische middeleeuwse literatuur uitkijken naar een reeds ten tijde van Kyot bestaande westerse Graaltraditie. Daarbij komen we – zoals reeds gezegd – op de inleiding van de door E. Hucher onder de titel Le Grand Saint Graal [6][7] naar een oud manuscript in de oertekst uitgegeven Graalvertelling. Deze voor ons interessante inleiding op dit boek Grand Saint Graal (Vol. 2, blz. 1-39) is door Wilhelm Rath onder de titel Das Buch vom Gral – Eine Einweihung aus der Zeit des 8. Jahrhunderts [7][8] uit het Oud-Frans in het Hoogduits vertaald.
Dit geschrift kan een nieuw licht werpen op een gebeuren dat op grond van Wolframs aanwijzingen eerst heeft moeten plaatsvinden, alvorens het Kyot mogelijk was om met uitzicht op succes naar het Graalgeslacht te gaan zoeken. Wilhelm Rath overhandigt ons met zijn Graalboek een verwijzing die – door een niet via Wolfram von Eschenbach lopende overlevering – Wolframs gegevens over Titurel inhoudelijk bevestigt. In zijn boek vestigt Wilhelm Rath de aandacht op de analogie van het gebeuren met de door Wolfram over Titurel gemaakte gegevens. Net zoals Titurel ingewijd werd in de Graaltraditie, werd ook de over een dergelijk gebeuren berichtende kluizenaar in de inleiding op de Grand Saint Graal in het jaar 750 ingewijd door de “Meester”, die zich aan de kluizenaar als degene voorstelt waartegen Nikodemus zei: “Meester, wij weten dat U van God bent gekomen.” Deze kluizenaar, die wij geneigd zijn als (met) Titurel te identificeren, ondergaat een soortgelijke christelijke inwijding als destijds de apostel Paulus voor Damascus.
Wilhelm Rath is ervan overtuigd dat we met de inleiding op de Grand Saint Graal te maken hebben met een authentieke overlevering uit de 8ste eeuw. Wie het waarheidsgehalte van Wolframs werk onderzocht heeft en uit inzicht verdedigd, moet tot dezelfde overtuiging komen: de inleiding op de Grand Saint Graal is geheel en al gekenmerkt als een echte historische overlevering.
De heden aangenomen fantastische getallen over Titurels leeftijd stammen niet van Wolfram von Eschenbach, maar van niet-historici onder zijn epigonen. Wolfram, de historicus, vertelt ons alleen over een mooie oude man, de grootvader van het Graalgeslacht, die als oergrootvader van Parzivals zonen, een patriarchale leeftijd van wellicht 120 jaar heeft bereikt. Wolfram, de historicus, vermijdt het aangeven van overdreven leeftijden, die alleen al om fysiologische redenen niet realistisch kunnen zijn. Men heeft Albrecht von Scharfenbergs fantastische beschrijvingen tot nu toe alleen zonder weerwoord aangenomen, omdat fysiologische wonderen door de aanwezigheid van de Graal zijn verklaard. Als het bij Wolframs epen echter om berichten over historische gebeurtenissen gaat, dan mogen we er zeker van zijn dat er hier sprake was van natuurlijke verhoudingen. Titurel moet in de tijd van Parzival 120 jaar oud geweest zijn om recht te doen aan de door Wolfram beschreven verhoudingen. Zijn berichten komen overeen met levensverhoudingen zoals die in de middeleeuwen mogelijk waren, zonder dat toevlucht moest worden genomen tot fantastische getallen.
De in de Grand Saint Graal aangegeven datum van de inwijding past goed bij Wolframs karakterisering van de gestalte van Titurel. Diens van elke historische overlevering onafhankelijke benoeming als de eerste menselijke hoeder van de Graalgeheimenissen van de 9de eeuw kan – zonder Albrecht von Scharfenbergs miraculeuze ingrediënten – honderd jaar vóór Parzivals Graalkoningschap zonder meer plaatsgevonden hebben op de wijze zoals die in de inleiding op de Grand Saint Graal wordt beschreven.
Als we deze overlevering niet zouden hebben, dan zouden we de daarin beschreven gebeurtenis moeten verzinnen of – als conditio sine qua non – van Wolframs Parzival moeten eisen, opdat de door Wolfram beschreven overgang van het Graalhoederschap van Wolframs schar [van engelen] naar Titurel realistisch kan worden voorgesteld.
Naar dit belangrijk document over de inwijding van de kluizenaar heb ik jaren lang gezocht. Ik had het in mijn handen en niet herkend, omdat het aan een volumineuze Graalgeschiedenis is gekoppeld die bij het eerste doornemen al de symptomen vertoont van een werk uit de 13de eeuw zonder enige overeenkomst met de historische realiteit van de 8ste eeuw. Ik heb het aan Wilhelm Rath te danken dat ik de in deze roman verborgen parel dan toch nog wist te vinden.
Een vergelijking in stijl tussen de inleiding op de Grand Saint Graal en de daaropvolgende roman doet vermoeden dat de Oud-Franse dichter in het bezit van een echte overlevering was, die hij ervoor gebruikt heeft om zijn eigen, maar minder goede roman beter te verkopen. Door Wilhelm Raths Graalboek wordt het kaf van de koren bevrijd en het belang van dit historisch document naar voren gebracht.
Het is voldoende om hier de aandacht op Wilhelm Raths werk te vestigen. Rath heeft een briljant commentaar geschreven op deze Visio (“visioen”) van een kluizenaar die de chroniqueur Heliandus in diens in Latijns geschreven Chronikon (rond 1200) dateert op het jaar 717 en toevoegt: “Deze historie kon ik niet in de Latijnse taal vinden, maar alleen opgeschreven in de Franse taal wordt het door bepaalde edelen bewaard, en het is niet makkelijk, zoals ze zeggen, compleet te vinden.”
Hier zal nog naar een enkel punt worden verwezen: Wolfram begint zijn Willehalm door het aanroepen van de drie-enige God. Degene die op verzoek van de Meester van de Graal de geschiedenis van zijn visioen opschreef, geeft zijn eerste groeten aan allen die aan de heilige, glorieuze drievuldigheid, namelijk aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest geloven.
Zulke parallellen zijn belangrijk. Wolframs Willehalm bevat een gesprek over religie dat Terramer met zijn dochter Arabel-Giburc voert. Het gaat daarbij om het thema “Triniteit”. Terramer, de Mohammedaan, heeft als moslim en monotheïst geen begrip voor dit concept. Hij maakt zich vrolijk over Giburcs drie-enige God door te zeggen (Wh. 219:2-3):
den einen möhten doch die drî | De Ene had toch de Drie
vor dem tôde hân bewart. | van de dood kunnen redden.
Hetzelfde thema is het belangrijkste onderwerp van de Visio. Ook de kluizenaar heeft – net als Terramer of de toenmalige aan het Oude Testament en de Eenheidsgod aanknopende Latijnse christenen – moeite met het begrijpen van de Triniteit. Dan wordt hij in een toestand gerukt van volkomen lichamelijke vrijheid, waarin hij zich net als Paulus “door de Heilige Geest in de derde hemel opgeheven” beleeft. Dan wordt hij naar een nog hoger niveau opgetild, waar hij “ziet hoe de goddelijke Oerdrieheid zich in vitale bewegingen in drie personen scheidt en herenigt. Hier verdedigt hij zich nu tegen het verwijt dat ten opzichte van de beschrijving van zijn belevenis gemaakt zou kunnen worden: hij weerspreekt de autoriteit van de Heilige Johannes [dat geen enkel mens ooit de Vader zag noch zou kunnen zien]. Hij benadrukt dat Johannes dit slechts van stervelingen zegt, voor zover ze lichamelijk zijn; als een mens zijn lichaam heeft afgelegd, dan is hij geestelijk, en voor zover hij geestelijk is, zou hij geestelijke dingen schouwend kunnen doorzien.” Wilhelm Rath voegt eraan toe: “Bij deze passage zien we dat dit geschrift tegelijk een schotschrift is tegen de in de Europese mensheid steeds meer ‘officieel’ wordende opvatting dat de mens niet ‘geest’ zou zijn en kennis van de geest daarom voor hem een gesloten boek blijft. Deze opvatting werd in de 9e eeuw (869) tot een dogma verheven. Met een geestelijk overzicht over de oneindige volheid aller hemelse heerscharen en hun belevenis van volledige overgave aan de goddelijke Triniteit sluit deze geestesschouw af.”
Deze overkomst tussen de theologie van Giburc en Willehalm rondom 818 en de theologie van de Visio van 750 (717 jaar na de Passie) is symptomatisch voor de ouderdom en de herkomst van de overlevering. De Triniteit, die in de zin van de Visio ook aan de mens wordt toegeschreven, verdwijnt na 869 uit de Latijnse documenten. Aan de mens, het evenbeeld van God, wordt in de kwestie van zijn bestaan als een wezen uit lichaam, ziel en geest volgens het dogma van 869 geen verwantschap met de goddelijke Drie-eenheid meer toegedicht. Het dogma bepaalde dit wezen anders. De mens bestond vanaf toen volgens de officiële opvatting van de Kerk alleen nog uit lichaam en ziel. Wie aan de mens geest of kennis van de geest toeschreef, plaatste zich buiten de Kerk. Overleveringen die uit de periode van de 12e eeuw stammen, bevatten het toenmalige officiële, op relikwieën en Maria gebaseerde christendom. In de Grand Saint Graal hebben we alle twee. De inleiding bevat het zuivere Graalchristendom van de 8e en 9e eeuw, en de daarop aansluitende roman bevat – hoewel daarin uitsluitend over de Graal wordt gesproken – geen Graalchristendom meer.
Omdat Kyot in de eerste helft van de 9e eeuw, dus niet eerst na 869, naar de Graal zocht, was hij – wat betreft het dogma van 869 – vanuit het kerkelijk recht gezien nog geen ketter; 50 jaar later zou hij het wel geweest zijn.
Kyot zocht een geslacht dat over kennis van de geest beschikte en hij kon het alleen vinden, wanneer vóór hem op een of andere plek in Europa een reële, historisch gebeuren had plaatsgevonden, dat ongeveer zo verliep als dit in het door Wilhelm Rath voor ons toegankelijk gemaakte bericht van de kluizenaar over zijn visioen in het jaar 750 wordt beschreven. De verhouding van een auteur tot de Triniteit kan als een symptoom voor de leeftijd van zijn werk worden beschouwd. Van alle Graaloverleveringen die ik heb kunnen toetsen, blijken alleen Wolframs drie werken en het door Rath ontdekte Graalboek, echte historische documenten uit de Graaltijd van de 8ste en 9de eeuw te zijn. Alle andere Graaloverleveringen bevatten gedachten van mensen van de 12de eeuw over de Graal – geen feitelijke beschrijvingen uit de 8ste en 9de eeuw.
Na deze excursie, die als een oproep aan het kritische onderscheidingsvermogen is bedoeld, gaan we weer terug naar Kyot, naar de plek waar hij na de slag van Alischanz zijn queeste naar de Graal begint.
Kyots zoektocht naar de Graal
Kyot zocht lang – en op de verkeerde plek –alvorens hij in Anschouwe het juiste spoor ontdekte. Wolfram zegt (P. 455: 9 ff.):
er las der lande chrônicâ | Hij las de kronieken
ze Brîtane unt anderswâ | der landen van Britane en elders
ze Francriche unt Yrlant: | van Francriche en Yrlant,
ze Anschouwe er diu maere vant | en in Anschouwe vond hij de geschiedenis
In Brittannië, Frankrijk en Ierland vond hij niets. Maar in Anschouwe komt Kyot dan even ver als de heilige Drie Koningen in Jeruzalem. Hij krijgt daar nadere informatie over het Graalgeslacht en het komende gebeuren, waarvan hij het tijdstip uit het geschrift van Flegetanis vernomen had. Hij verneemt nu bovendien twee nieuwe historiën (P. 455: 13):
er las von Mazadâne | Hij las er de ware en niet gewaande
mit wâhrheit sunder wâne: | historie van Mazadan:
umb alles sîn geschlete | heel diens geslacht stond
stount dâ geschriben rehte, | er correct beschreven,
und anderhalp wie Tyturel | en voorts hoe Titurel
unt des sun Frimutel | en diens zoon Frimutel
den grâl braeht ûf Amfortas | de Graal overdroegen op Amfortas.
Nu pas was Kyot-Willehalm de hele profetie te weten gekomen. Uit het heidense geschrift van Flegetanis kende hij het moment waarop het Graalkoningschap aan een nieuwe gegadigde overgedragen zou worden en ook de landen waarin dit zou gebeuren.
Uit de kroniek over de inwijding van Titurel, die hij na zijn vergeefse zoekactie in het westen van de oude wereld, in Brittannië, Frankrijk, Ierland en waarschijnlijk ook in Spanje dan uiteindelijk in Anschouwe vond, vernam hij de twee geslachten, enerzijds die van Mazadane en het Arthurgeslacht en anderzijds die van Titurel en het Graalgeslacht. Men moet hem daar dan ook verteld hebben waar hij het Graalgeslacht kon vinden.
Kyot-Willehalm was op dat moment de enige mens die de hele Graalprofetie kende. Velen kenden alleen het heidense deel, die daarom Graalzoekers werden.
Uit de Oriënt waren Graalzoekers onderweg die de Graal eveneens in het westen zochten. Daaruit wordt duidelijk dat de heidense profetie daadwerkelijk naar het westen wees. Een van deze Graalzoekers geborn von Ethnise is reeds op het spoor van het Graalgeslacht gekomen en verwondt Amfortas (P. 479: 18-19):
der selbe heiden was gewis, | Die heiden was ervan overtuigd dat hij
sîn ellen solde den gral behaben. | door zijn stoutmoedigheid de Graal zou winnen.
Ook deze heiden zocht op een vergelijkbare wijze als Willehalm-Kyot naar het toneel van de handeling. Hij kende zelfs het steekwoord “Graal” (P. 479: 21):
er suocht die vereen ritterschaft, | Hij zocht de ridderlijke strijd in verre oorden
niht wan durch des grâles kraft | en was voortgetrokken over water en over land
streich er wazzer unde lant. | alleen omwille van de macht van de Graal.
