Oransch

Wolfram von Eschenbach beschikt over de bewonderswaardige gave om het decor van zijn handelingen op een bijzondere manier aanschouwelijk te maken. Dit is ook de taalkundige Samuel Singer opgevallen, die dit met de volgende passage onderschrijft:

De belegerende heidenen rukken op tot aan de burcht. Hun namen zijn over ’t algemeen dezelfde als die in de bron, alleen dat i.p.v. één naam in de Aliscans (Al. 1779) Amis de Cordres (98,14) er twee genoemd worden: Amis en Cordeiz. Deze uit de bron overgenomen namen worden door reeds vroeger voorkomende namen aangevuld, zodat het aantal bij Wolfram groter is. Bovendien worden de namen bij hem niet alleen opgesomd; elke naam wordt een bijzondere positie toegewezen tegenover één van de vijf poorten van de burcht, een burcht die Wolfram zich blijkbaar precies volgens het model van een hem bekende stad voorstelt: twee van de poorten zijn gein dem palas gelegen (tegenover het paleis; Wh. 97:19), de derde diu uz gienc gein dem plane (liep uit op de vlakte; Wh. 97:28). De bevrijde gevangenen worden anderzijds ter verdediging van de burcht ontboden, iets wat in de bron op z’n minst niet uitdrukkelijk is vermeld (Wh. 96:20-24):

Willam der kurteise | De hoffelijke Willehalm vertrouwde
al die porte und drobe die wer | alle poorten en kantelen daarboven
bevalh er dem erlosten her | toe aan de bevrijde christenen
daz er in dem woldan | die hij gered had
bî den soumen dort gewan. | in het gevecht bij de legertros.[1]

Wolfram von Eschenbach schildert dus meer bijzonderheden dan zijn bron, de Aliscans, en Singer vermoedt dat hij zich blijkbaar geheel naar het model van een hem bekende stad richt.

Dit vermoeden is zeer aannemelijk. Men voelt zich direct aangesproken de stad die Wolfram als model voor zijn beschrijving van Oransch moet hebben gediend, in de middeleeuwse geografische werkelijkheid op te zoeken.

Wij weten dat Wolfram zichzelf een Beier noemde, dat hij uit de stad in Middenfranken komt die nu Wolframs-Eschenbach heet, en dat hij voor een bepaalde tijd aan het hof van Herman van Thuringia heeft gewoond. Wolfram noemt, verspreid in zijn epen Willehalm en Parzival, enkele steden uit deze twee gebieden. Behalve Eschenbach zijn dat: Abenberg, Truhendingen, Dollnstein, Nördlingen, Wertheim, Wildenberg en Ehrfurt. Hij zal ook Onoldsbach (Ansbach), Neurenberg, Rothenburg, Dinkelsbühl, Pleinfeld, Ellingen, Weissenburg, Merkendorf, Gunzenhausen, Kitzingen of andere steden en dorpen hebben gekend. Bij het doorzoeken van deze streken vindt men echter geen enkele stad die ook maar in de verste verte op de beschrijving van Wolframs Oransch lijkt.

Bij de poging om middeleeuwse stadscontouren te reconstrueren, begint men echter al gauw te twijfelen of het door Singer vermoedde voorbeeld wel bestaat. Wolframs Oransch is door de dichter weliswaar tot in de details op een plausibele manier beschreven, maar bij nader inzien blijkt Wolframs stad Oransch toch een vrij merkwaardige oord te zijn.

Bij het concentreren op de plattegrond van de zo concreet beschreven stad kost het zelfs enige moeite om deze concreetheid ook realistisch te vinden. Wolframs aanduidingen lijken tegenstrijdig. Hij zegt dat de stad over een buiten- en een binnenring beschikt en hij vertelt hoe Giburc en haar vader daar, kennelijk dwars over een heel stadsdeel heen, gesprekken voeren over religie. Deze merkwaardige scène doet zich voor, wanneer Giburc zich naar een raam van haar paleis in de binnenring begeeft, terwijl haar vader, die de stad belegert, in het veld voor de stadspoort, dus buiten de muur van de buitenring, staat. Hoe zou een gesprek op zo’n afstand überhaupt tot stand kunnen komen?

Men is nu – in weerwil van Singers vermoeden dat Wolfram een heel bepaalde, hem bekende stad beschrijft – geneigd om aan het realiteitsgehalte van Wolframs beschrijving te gaan twijfelen en zijn zo concreet lijkende details naar het rijk der fabelen te verwijzen. In elk geval zou men kunnen concluderen dat het beter is om op te houden met de poging de stad te identificeren die Wolfram als model voor zijn beschrijving van de gebeurtenissen in de stad Oransch gebruikt zou kunnen hebben. De coulissen van dit gesprek over religie lijken zo onwaarschijnlijk, dat een geografische achtergrond voor zo’n scène blijkbaar nauwelijks gevonden kan worden.

Deze eerste tegenwerping kan echter Singers vermoeden niet uit het veld slaan. Wat een huidige Wolframvorser slechts kan vermoeden, wordt door een andere, net zo competente expert juist bevestigt.

Wij zijn evenwel niet van plan om meningen van autoriteiten erbij te halen of tegen elkaar uit te spelen en – in plaats van zelf te oordelen – aan een vakman te geloven. In dit geval gaat het erom een vakman aan de vergetelheid te ontrukken, die ten onrechte in twijfel wordt getrokken. Deze beste kenner van de Willehalm-materie wordt, sinds Simrocks [2] vermoeden dat men ons fictie als realiteit wil voorschotelen, door een groot deel van de huidige Wolframvorsers ontkend. Deze expert, waar geheel ten onrechte niet naar geluisterd wordt, is Wolfram von Eschenbach zèlf.

Wolfram verzekert ons dat hij met zijn Willehalm een verhaal vertelt dat tot in de kleinste details waar is. Niet waarheid in het kader van dichterlijke vrijheid, maar in die zin dat het gesprokene een juiste weergave van de historische gebeurtenissen is.

Wolfram von Eschenbach zegt in de Willehalm-proloog in alle duidelijkheid en met het hele morele gewicht van zijn serieuze persoonlijkheid vanuit welk hoog en veeleisend standpunt hij ons zijn verslag geeft. Hij zegt openlijk dat niet hij de auteur van het verhaal is. Hij deelt ons nuchter mee dat dit verhaal, zo rijk aan wonderen, uit Frankrijk stamt en in alle bijzonderheden waar is. Zijn vertaling is door geen enkel tussenvoegsel of weglating vervalst (Wh. 5:12,13).[3]

Franzoyser die besten | De beste Fransen
hânt ir des die volge lân | hebben ervan genoten en erkend
daz süezer rede wart nie getân | dat er nog nooit zo’n mooi verhaal is verteld
mit wirde und ouch mit wârheit. | dat zowel waar en feestelijk is.
underswanc noch undereit | Geen enkel tussenvoegsel of weglating
gevalschte diese rede nie… | heeft ooit dit verhaal vervalst…

Zo spreekt de man die zich als geen tweede met Willehalm heeft bezig gehouden. Wie heden ten dage aan Wolframs plechtige verzekeringen in de proloog tot zijn Willehalm geloof hecht, karakteriseert zich in de ogen van het overgrote deel van de Wolframvorsers als een naïeveling. Er wordt meewarig om hem gelachen; meer dan honderd jaren onderzoek schijnt spoorloos aan hem voorbij te zijn gegaan, en hij wordt aux serieux genomen. Drie of vier generaties onderzoek heeft daadwerkelijk een onvoorstelbare hoeveelheid intelligentie besteed om Wolframs verzekeringen kritisch te toetsen. Men is er echter niet in geslaagd om Wolframs aanwijzingen als waar of onwaar te bewijzen.

Met betrekking tot de Parzival beroept Wolfram zich op een zegsman genoemd Kyot. Men gelooft hem niet. Kyot-gelovigen en Kyot-twijfelaars staan als twee confessies tegenover elkaar. Jammer genoeg heeft tot dusver ook de historicus de zaak niet verder kunnen helpen, daar er geen historische documenten bestaan waarmee de waarheid van Wolframs verzekeringen kan worden aangetoond. Men gelooft dus dat er aan de Parzival geen historische realiteit ten grondslag ligt. Ook onze historische kennis met betrekking tot de Willehalm bestaat slechts uit brokstukken. Men kent weliswaar Wolframs Loys (Lodewijk de Vrome) en Willehalm (Willem van Oranje of te wel Willem van Oringen) als historische persoonlijkheden, maar omdat overeenkomstige historische documenten ontbreken, kan men geen waardeoordeel over Wolframs verslag vellen.

In deze niet veelbelovende situatie heeft de filologie haar toevlucht gezocht in een overtuiging die haar de oplossing van de gestelde vraag bespaart. Men heeft zich op het standpunt gesteld dat op het gebied van de dichtkunst elke denkbare koppeling van motieven mogelijk is. Men zegt: Wolfram overtreedt geen dichterlijke principes, indien hij ons fictie als waarheid voorschotelt. Vanuit een filologisch standpunt is de vraag helemaal niet aan de orde of Kyot nu wel of niet heeft bestaan, en of de Fransen met betrekking tot de Willehalm de waarheid spreken.

Sinds de uitsluiting van dit probleem wijdt de filologie zich meer aan het formele onderzoek van Wolframs werken. Taalkundigen die nu nog vragen stellen die, in tegenstelling tot vroeger, vandaag als onfilologisch en onjuist gelden, genieten in vakkringen geen aanzien meer. Er zijn derhalve steeds minder onderzoekers die desondanks de Kyot-vraag stellen. Door deze uitsluiting – de filologen noemen het “sublimering” – heeft het Kyot-probleem niet die aandacht gekregen, die zowel in historisch als in filologisch opzicht wenselijk zou zijn. Als elke specialist – de historicus en de filoloog – in zijn vakgebied is opgesloten en problemen, die men alleen met behulp van ander faculteiten gemeenschappelijk de baas kan worden, uit zijn programma schrapt dan blijven wezenlijke vragen onopgelost.

Wij willen het Kyot-probleem in ’t vizier nemen, stellen ons daarbij op een niet-specialistisch standpunt, en nemen naast de filoloog en historicus ook nog een geograaf in ons arbeidsteam op.

Daar historische mogelijkheden tot vergelijking ontbreken en filologisch gezien er geen problemen meer schijnen te bestaan, hebben wij besloten om op een nieuwe wijze tot een oordeel over Wolframs aanwijzingen te komen. Wij onderzoeken eerst het realiteitsgehalte van zijn geografische aanwijzingen, en stellen ons de vraag of de schouwplaatsen van Wolframs Willehalm-handeling geografisch gelokaliseerd kunnen worden.

Singers vermoeden dat Wolfram realiteiten beschrijft dient ons als aanleiding om het toneel van de door Wolfram beschreven handelingen in de geografische werkelijkheid op te sporen onder de arbeidshypothese dat zijn beschrijvingen waar zijn. Wij stellen ook waarheidsbeloftes niet ter discussie, omdat wij een experiment willen uitvoeren: wij willen graag ervaren welke resultaten zich voordoen, indien men zich bewust op het standpunt plaatst: Wolfram wil ons niet bedriegen, Wolfram beschrijft ware gebeurtenissen.

Op één punt zijn Kyot-opponenten en Kyot-aanhangers het wel met elkaar eens. Beiden vereren Wolfram von Eschenbach op gelijke wijze als de grootste Middelhoogduitse dichter. Beiden plaatsen hem terecht aan Goethes zijde. Onze beide geesteshelden doen wij echter onrecht, als we ze alleen als dichters bewonderen en ze niet willen begrijpen op het gebied waar ze zichzelf als superieur aan anderen beschrijven. Goethe heeft geen hoge dunk van zijn eigen dichtkunst. Dat hij echter zijn kleurentheorie heeft geschreven, dáár is hij trots op. Ook Wolfram geeft niet zoveel om zijn dichtkunst. Hij is er echter van overtuigt dat hij groter is dan anderen vanwege het feit dat het hem vergund was om een verhaal dat hij gehoord had op waarheidsgehalte te onderzoeken. Hij geeft toe dat hij schrijven noch lezen kan. Hij spreekt echter van zijn gave de waarheid over te brengen als een kunst die te danken is aan de goedheid van God. Voor hem geldt wat hij in de Willehalm [4] zegt (Wh. 2:16-17):

der rehten schrift dôn unde wort | Uw heilige Geest heeft mijn bron
în geist hât gesterket. | in woord en geest geïnspireerd.

Het ware van het valse te bevrijden is de eigenlijke taak van de geschiedvorser. Wolfram karakteriseert zichzelf als een historicus door zijn streven de waarheid over te dragen. Wolfram is er trots op dat hij beter dan anderen in staat is om te zeggen wat er van de Franse overlevering waar dan wel niet waar is.

Net zoals wij vandaag beginnen om Goethe als natuurkundige opnieuw te ontdekken, willen we besluiten ook Wolfram von Eschenbach als geschiedvorser te onderkennen zonder hem echter als dichter minder op prijs te stellen. Wolfram zelf is niet minder kritisch dan een huidige onderzoeker. Hij heeft omwille van de waarheid over het leven van Willehalm gevochten en is er vast van overtuigt dat het hem gelukt is deze waarheid te leren kennen en ons onvervalst weer te geven.

Wij kunnen ons toegang tot Wolframs geesteshouding verschaffen door te trachten ons onvooringenomen in zijn gedachten in te leven en te observeren welke inzichten wij daardoor verkrijgen.

Onze werkwijze bestaat in het serieus nemen van Wolfram, diens berichten als historische feiten behandelen, zijn aanwijzingen eerst leren te begrijpen en dan bij alle bijzonderheden zo lang te blijven stilstaan, totdat er geen enkele tegenspraak meer over blijft. Als dit experiment niet meteen slaagt, is er te overleggen wat er fout is gegaan en zo lang naar andere gezichtspunten te zoeken tot alles zich zonder tegenspraak voegt en wederzijds draagt.

Vanuit deze grondhouding willen wij meteen nagaan wat er fout ging toen we van mening waren dat er boven twee ringmuren heen geen gesprek over religie gevoerd kon worden. Wij stellen ons de vraag nu op een positieve manier: Wolfram vertelt dat Giburc en Terramer met elkaar een gesprek over religie voerden. Hoe moet dienovereenkomstig deze scène eruit hebben gezien opdat Wolframs aanduidingen zonder meer juist zijn?

Positie binnenstad in de buitenring Positie binnenstad in de buitenring Fig. 1. Concentrisch Fig. 2. Excentrisch

Zeker is dat de binnen- en buitenring van de stad Oransch niet concentrisch gedacht kan worden (fig.1). De buitenring zou anders een hindernis vormen. De binnenring moet excentrisch liggen, en ook het paleis van de binnenring moet aan de rand van de kleinere ring voorgesteld worden, en wel zo dichtbij de muur van de buitenring dat daartussen geen huizen van de buitenring staan (fig. 2).

Als we ons de locatie van het raam van het paleis waaruit Giburc spreekt zeer hoog voorstellen, zo hoog dat men over beide ringmuren heen het veld voor de poort kan zien, dan zou het mogelijk kunnen zijn om zich over deze afstand hoorbaar te maken. Giburc en haar vader zouden dan elkaar kunnen toeroepen wat ze elkaar te zeggen hadden.

Wolfram zegt echter niet dat ze geroepen hadden, maar dat ze met elkaar spraken. Van Giburc wordt gezegd si sprach (Wh. 215:10) en ook haar vader Terramer heeft in zijn antwoorden zijn stem niet verheven. Wolfram zegt (Wh. 217:10,11):

daz ich sölh kint ie gewan, | dat ik zo’n kind heb gekregen,
sprach Terramêr der rîche. | sprak de machtige Terramer.

We moeten dus – getrouw aan onze arbeidshypothese om aan Wolframs woorden geloof te hechten – Terramer en Giburc nog iets dichter bij elkaar brengen.

De bijzondere ligging van de binnenstad van Oransch in de buitenring is noch veel radicaler voor te stellen dan we oorspronkelijk gedacht hadden. Deze excentrische positie is herkenbaar waar er beschreven wordt hoe de heidenen oprukken. In Singers citaat staat er dat twee poorten gein dem palas stonden. Dit klopt ongeveer, maar voor Wolfram is Singers voorstelling nog niet goed genoeg. Volgens Wolframs bericht stond één poort

… gein dem palas …| tegenover het paleis
dâ Gyburc selbe ûffe was. | waar Giburc zelf was.

De tweede poort lag weliswaar ook in de buitenring; niet waar Giburc op uit keek, maar aan de tegenover liggende kant van de binnenring, waar Giburc niet in kon kijken toen ze vanuit het paleis Glorjet met haar vader sprak. Daar beide stadpoorten niet de binnenring in, maar de buitenring in leiden en Giburcs paleis – in de binnenring – juist op die plaats staat waar Terramer legert, moet de binnenring op deze plek boven de omtrek van de buitenring uitsteken. Als we de buitenkring als een kring voorstellen en – met het middelpunt op deze kring – een kleinere kring voorstellen, die voor de helft in de grote kring en voor de helft echter over de grotere kring uitsteekt, dan krijgen we ongeveer de situatie die we nodig hebben om Wolframs aanwijzingen te kunnen bevestigen (fig. 3). De muur van de buitenring loopt rechthoekig uit op de muur van de binnenring. Deze binnenring word door de muur van de buitenring als het ware in de tang genomen. De binnenring steekt ook op deze plaats boven de buitenring uit.

Als we aannemen dat de muur van Giburcs paleis een bestanddeel van de muur van de binnenring is en tegelijkertijd van de muur van de buitenring, dan heeft Giburcs paleis Glorjet op deze manier enkele vensters die nog in de binnenring boven de steeg liggen die naar de poort leidt; het paleis heeft wellicht een venster dat direct boven de muur en de poort van de buitenring ligt, en het heeft tenminste een venster dat buiten de buitenmuur boven de gracht of de vlakte ligt waar Terramer legert. Wanneer Giburc zich naar dit raam begeeft, dan kan Terramer, wanneer hij met haar wil spreken, direct onder haar venster gaan staan. Wolframs beschrijving van deze situatie is op die manier zeer toepasselijk (Wh. 97:17 ff.):

Terramer und rois Tybalt | Terramer en koning Tybalt
sich schône leiten mit gewalt | lagen met hun hele leger
für die porten gein dem palas | vóór de poorten tegenover het paleis
dâ Gyburc selbe ûffe was. | waar Giburc zelf was.

Wanneer we nu het oprukken van de heidenen verder volgen, dan vernemen we dat Pohereiz en Korsant andersîte lâgen. Er is dus in Oransch een tweede poort, aan de andere kant van de binnenring, waarbij de situatie spiegelbeeldig vergelijkbaar is. We zullen later zien dat daar Willehalms paleis “Termis” ligt. Ook dit paleis heeft vensters, vanwaaruit men direct op het legerkamp van Poheriz en Korsant neerkijkt.

Figuur 3. Plattegrond van de stad met de vijf poorten

De derde poort, die belegerd wordt door Koning Margot Pozzidant, leidt – dat wordt ons door Wolfram gezegd – naar de vlakte. De vierde poort ligt – daar geen topografische details zijn aangegeven – tegenover Giburcs paleis, aan de andere kant van de buitenstad, aan het meest ver weg liggende punt. Deze poort is aan Fâbors toebedeeld (Wh. 98:5). De vijfde poort, die van Halzebier, is – tegenover de derde poort – aan de rechter kant van de buitenstadsmuur te vinden.

Deze van Wolframs beschrijving afgeleide plattegrond van Oransch toont een stadsaanleg aan die kennelijk op een vlak gebied ligt. Indien landschapsvormen niets anders bepalen, bouwt men een buitenring concentrisch om de binnenburcht heen. Wij moeten dus overwegen welke landschapsvormen aangenomen kunnen worden om Wolframs stadsbeschrijving met een zinvolle werkelijkheid in overeenstemming te brengen. Wolfram duidt op iets typisch: de derde poort leidt naar een vlakte. Hij zegt ook nog dat Terramer de stad van alle kanten, vanaf berg en dal wilde aanvallen (Wh. 111:6). We moeten dus rekening houden met een vlakte, een berg en een dal.

Er zijn twee mogelijkheden om de excentrische ligging van de binnenring te verklaren: óf dit binnendeel van de stad ligt aangeleund tegen deze berg, óf het wordt door water omsingeld en bevindt zich op een schiereiland. We zouden een schiereiland, dat door een bevaarbare stroom wordt gevormd als een bijzondere beschutting voor de binnenring kunnen aannemen. Als de stroom smal is, kunnen we ook een schiereilandachtig terras met een steile afgrond als zo’n schutting beschouwen. Dit schiereiland zou echter voor een stad nauwelijks denkbaar zijn zonder relatie tot een brug of een voord. Wolfram noemt echter geen dergelijke overgang, niet eens een markante rivier.

Het feit dat de eerste en tweede poort juist op die plek liggen waar de binnen- en buitenringen samenkomen doet vermoeden dat tussen beide poorten de plaats is waar de gezochte berg moet liggen. Tegen de berghelling leunt de binnenburcht aan. Dat de burcht mag worden voorgesteld als zijnde aanleunend tegen de helling en niet bovenop de berg, blijkt uit de woorden van Terramer dat hij ook vanuit de berg wilde aanvallen; dit zou niet mogelijk zijn als de berg tot aan de top door de ringmuur zou zijn omsloten. De burcht moet – opdat Wolframs beschrijving klopt – onder de top liggen, want anders zou men niet, zoals gezegd, van bovenaf kunnen aanvallen. We hebben dus poort nummer een, die – aan de voet van de berg, maar reeds liggend op de vlakte – de buitenring binnenleidt. Spiegelbeeldig daaraan hebben we poort nummer twee, en tussen deze beide poorten stellen we ons de berg en die helft van de binnenring voor die – tegen de berg aangeleund – boven de buitenring uitsteekt. Dat de derde poort naar de vlakte leidt, wordt door Wolfram nadrukkelijk aangegeven. De dalzijde, dus de plek waar een rivier – een nogal onbeduidende riviertje – voorbij moet stromen, zou dan bij poort nummer vier of vijf voorgesteld moeten worden. Men is geneigd om vier en vijf te zeggen, en dat poort nummer vijf – zonder de uitgang in een dal – spiegelbeeldig aan poort drie zou moeten liggen en ook leidend naar een vlakte. Daarmee hebben we de plattegrond van de stad Oransch volgens Wolframs aanwijzingen gereconstrueerd (fig. 4).

Figuur 4. Topografie van het terrein in Oransch